Blog over de franchiseovereenkomst met afbeelding van 't Dorp Spijkenisse Centrum
De franchiseovereenkomst
Wettelijkgeregeld voor meer balans
De franchiseovereenkomst is lange tijd een onbenoemde overeenkomst geweest; er was geen regeling voor in de wet. De overeenkomst kreeg vorm in de rechtspraak.

Op 1 januari 2021 is daar verandering in gekomen met de inwerkingtreding van de Wet franchiseā‚. De Memorie van Toelichting omschrijft franchise als "een systeem voor de afzet van goederen of diensten, gebaseerd op een hechte en voortdurende samenwerking tussen juridisch en financieel zelfstandige en onafhankelijke ondernemingen: de franchisegever en zijn individuele franchisenemer(s). De franchisegever verleent daarbij aan individuele franchisenemers het recht en legt hen de verplichting op om een bedrijf te exploiteren volgens het concept van de franchisegever. Zo kan de franchisegever een franchiseformule zeer breed, ook internationaal, invoeren onder zelfstandige ondernemers die het ondernemersrisico dragen. Franchisenemers kunnen binnen een gezonde franchiserelatie profiteren van de naamsbekendheid en het succes van de franchise formule, ontstaan door de opzet van de formule door de franchisegever en de wijze van exploitatie door andere franchisenemers. Beide partijen hebben baat bij een goed ontwikkelde formule en een succesvolle exploitatie daarvan"[2]. Een franchiseformule uit zich in een gemeenschappelijke (merk)naam, een uniforme (winkel)uitstraling, receptuur, etc.. De franchisegever is als rechthebbende van de franchiseformule de sterkere partij. De Wet franchise beoogt de relatie tussen franchisegever en franchisenemer meer in balans te brengen[3].

De bepalingen over franchise zijn opgenomen in Boek 7 Titel 16 van het Burgerlijk wetboek (artt. 7:911-922 BW). Deze titel is van dwingend recht. Dat wil zeggen dat er niet ten nadele van de franchisenemer van kan worden afgeweken (art. 7:922 BW).
Art. 7:911 BW definieert de franchiseovereenkomst als "de overeenkomst waarbij de franchisegever aan een franchisenemer tegen vergoeding het recht verleent en de verplichting oplegt om een franchiseformule op de door de franchisegever aangewezen wijze te exploiteren voor de productie of verkoop van goederen dan wel het verrichten van diensten".

Franchiserelatie
In art. 7:912 BW is het uitganspunt opgenomen dat partijen zich gedragen als 'goed franchisegever' en als 'goed franchisenemer'. Dit geldt zowel voorafgaand als gedurende de franchiserelatie. Van partijen wordt verwacht dat zij jegens elkaar in redelijkheid en zorgvuldigheid optreden, waarbij de franchisegever zich naast zijn eigen belang rekenschap geeft van zowel de belangen van de keten als geheel, als van de individuele belangen van de franchisenemer[4]. Individuele belangen van de franchisenemer kunnen (mede) zijn gelegen in contractuele plichten jegens derden, zoals de huurovereenkomst voor de vestiging en arbeidsovereenkomsten met personeel. Goed franchisegeverschap en goed franchisenemerschap zijn geen statische begrippen en moeten worden bezien in de tijdgeest[5]. De franchiserelatie wordt verder beheerst door overleg en instemming (bijv. voor investeringen ten behoeve van wijziging in de franchiseformule, art. 7:921 lid 1 BW)[6].

Op grond van art. 7:913 BW dienen de (kandidaat)franchisenemer en de franchisegever informatie aan elkaar te verstrekken. In het verleden heeft de Hoge Raad bepaald dat de franchisegever slechts in bijzondere omstandigheden verplicht kan zijn inlichtingen te geven over te verwachten omzet of winst[7]. De Wet franchise beoogt niet af te wijken van de rechtspraak, maar staat de verstrekking van een prognose ook niet in de weg[8]. Van praktisch belang is dat omzetprognoses - als die na lange tijd onjuist blijkt - kunnen leiden tot vernietiging van de overeenkomst op grond van dwaling (art. 6:228 BW), met eventuele gevolgen voor voortbouwende overeenkomsten (art. 6:229 BW). Het is de vraag of dat wenselijk is. Een franchisegever doet er goed aan een rapport daarvoor door een onafhankelijke derde te laten opstellen[9].

Franchiseovereenkomst
Specifiek voor de franchiseovereenkomst zijn bijvoorbeeld een omschrijving van de formule, verplichtingen van de franchisegever jegens franchisenemer, instandhoudingsplichten en wijzigingsbevoegdheid van de franchisegever ten aanzien van de formule, toepassingsplicht van franchisenemer ten aanzien van de formule, afnameverplichting, franchise fee, rayonverdeling en een geheimhoudingsplicht.
Art. 7:920 BW verplicht tot opname van een goodwill-regeling. In de eerste plaats moet de overeenkomst bevatten (onder a) de wijze waarop wordt vastgesteld:
- of goodwill aanwezig is in de onderneming van de franchisenemer;
- zo ja, welke omvang deze heeft; en
- in welke mate deze aan de franchisegever is toe te rekenen;
In de tweede plaats (onder b) moet de franchiseovereenkomst bepalen hoe vergoeding van de goodwill aan de franchisenemer plaatsvindt bij beëindiging van de franchiseovereenkomst, als de franchisegever het bedrijf overneemt voor exploitatie of voor overdracht aan een nieuwe franchisenemer. Met 'goed franchisegeverschap' (art. 7:912 BW) moeten partijen tot een nette goodwill-regeling kunnen komen. Bij overname van de vestiging door een nieuwe franchisenemer, wordt de goodwill verondersteld in de overnameprijs te worden meegenomen[10].

Verder moet de overeenkomst voorzien in een instemmingsrecht voor de franchisenemer ten aanzien van investeringen boven een overeen te komen drempelwaarde (art. 7:921 lid 1 BW).

De wet gaat verder in een eerlijke wijze van beëindiging. Zo moet een eventueel concurrentiebeding schriftelijk zijn, mag die maximaal één jaar duren en die moet beperkt blijven tot het rayon (art. 7:920 BW).

Deadline voor bestaande overeenkomsten
Uit art. 7:209 BW volgt dat bestaande contracten die gekwalificeerd kunnen worden als franchiseovereenkomst (ongeacht de benaming die de partijen eraan geven) binnen twee jaar na inwerkingtreding van de wet moeten zijn aangepast. Het dwingendrechtelijke leidt ertoe dat bepalingen die per 1 januari 2023 niet aan de wet voldoen, nietig zijn. De rechter moet daar dan uiteindelijk een invulling aan geven.

[1] Stb. 2020, 251.
[2] Kamerstukken 2019/20, 35 392, 3, p. 1.
[3] Kamerstukken 2019/20, 35 392, 3, p. 2.
[4] Kamerstukken 2019/20, 35 392, 3, p. 7.
[5] Kamerstukken 2019/20, 35 392, 3, p. 26.
[6] Kamerstukken 2019/20, 35 392, 3, p. 47.
[7] HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2002:AD7329.
[8] Kamerstukken 2019/20, 35 392, 3, p. 8.
[9] Vergelijk: HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:311.
[10] Kamerstukken 2019/20, 35 392, 3, p. 9.

Oktober 2022

Foto: 't Dorp Spijkenisse Centrum
Disclaimer
De artikelen en blogposts van Legalance bieden algemene informatie en zijn nietbedoeld als advies. Er is niet beoogd volledigheid over een bepaald leerstuk nate streven. Ook kan de informatie verouderd, onvolledig en/of onjuist zijn doorwijzigingen in wet- en regelgeving, nieuwe rechtspraak of andere ontwikkelingen.Aan de hier aangeboden informatie kunnen dan ook geen rechten worden ontleend.De auteur daarvan kan niet aansprakelijk worden gehouden voor de gevolgen vanhet gebruik, op welke wijze dan ook, van deze informatie. De tekst-editor veroorzaakttaal- en opmaakfouten in de weergave.