Artikelen en blog
Het beroep op betalingsonmacht griffierecht
Een doodlopend spoor in de gang naar de rechter
Het beroep op betalingsonmacht is een constructie van rechterlijke instanties die het recht voor iedereen – ook voor minder-draagkrachtigen – toegankelijk zou moeten maken. Financiële drempels zoals griffierecht kunnen een aantasting van het recht op toegang tot de rechter (art. 6 EVRM) zijn, terwijl die toegang en een eerlijk proces nodig zijn om rechtsbescherming te krijgen in andere (grond)rechten. Hoewel de gedachte van toegankelijke rechtsbescherming past in een democratische rechtsstaat, kun je als rechtzoekende door rechtsstatelijke en integriteitsproblemen – zeker met een laag winstinkomen – alsnog op niet-ontvankelijkheid stuiten₁, waarbij een inhoudelijke beoordeling van je zaak en rechtsbescherming achterwege blijven en een (al dan niet onrechtmatig) besluit of rechtstoestand in stand blijft. Het is een doodlopend spoor, dat grote gevolgen kan hebben.
Schakelfunctie naar grondrechten
Het grondrecht op menselijke waardigheid (art. 1 Handvest EU) is de basis voor alle grondrechten, en moet worden eerbiedigd en beschermd, ook ten aanzien van de mens in Nederland. De ernst van inbreuken daarop komt o.a. tot uitdrukking in mensenrechten, strafrecht en rechtspersonenrecht (art. 2:20 BW). De vrijheid van ondernemerschap (art. 16 Handvest EU) impliceert de ruimte om (1) economische activiteit of een handelsactiviteit, (2) contracten en (3) vrije concurrentie aan te gaan₂.
In de bescherming van (grond)rechten heeft het recht op een eerlijk proces een schakelfunctie₃, maar schending vindt stelselmatig plaats. Om de rechtsbescherming tegen overheidshandelen beter te waarborgen, is het recht op eerlijk proces in 2022 met het recht op toegang tot de rechter expliciet in de Grondwet opgenomen₄. Voor de effectiviteit van de vrijheid van ondernemerschap (art. 16 Handvest EU), kan dit recht niet los worden gezien van het recht op een effectief rechtsmiddel (artt. 13 EVRM, 47 Handvest), zo benadrukt het European Union Agency for Fundamental Rights. Wat ‘winstinkomen’ is, is in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Kamerstukken te lezen. Ook dat het minder rooskleurig kan zijn dan de term misschien doet vermoeden en in verlies kan resulteren₅. Het ontbreken van effectieve procedures brengt grote risico’s voor ondernemers met zich mee₆, dus voor de economie en het ondernemersklimaat. Van rechters wordt verlangd dat zij de invloed van hun beslissingen op mensenlevens en op de samenleving begrijpen en de zaak daarom met zorg en aandacht behandelen (NVvR rechterscode, p. 6). En de overheid moet de burger en de samenleving dienstbaar zijn. Het gaat over onze welvaart (art. 20 Gw), werkgelegenheid en maatschappelijke weerbaarheid (met uitgaven i.v.m. vergrijzing en onze veiligheid).
Betalingsonmacht naar ervaringsregels
Hoewel de constructie van een beroep op betalingsonmacht al jaren bestaat en in de context van grondrechten wordt gebruikt, ontbrak lange tijd een wettelijke grondslag daarvoor (legaliteitsbeginsel). Een enkele rechter noemde ‘de landelijk vastgestelde en gepubliceerde Werkwijze bij beroep op betalingsonmacht griffierecht (BOBOG)’, maar verzuimde bij wijze van deugdelijke motivering₈ de (vermeende) landelijke vaststelling en publicatie te noemen₉. Een nota van toelichting met uitleg over de juiste toepassing – en ter voorkoming van machtsmisbruik en willekeur – ontbrak toen al.
Sinds 2024 is het beroep op betalingsonmacht genoemd in art. 8:41 lid 6 Awb, dat luidt:
“Indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. In afwijking van de eerste zin blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege, indien aannemelijk is dat de indiener van het beroepschrift op de datum waarop het bedrag uiterlijk moet zijn bijgeschreven of gestort, in betalingsonmacht verkeert.”
Met de bewoording ‘indien aannemelijk is’ moet het met het oog op verminderd doenvermogen van de rechtzoekende mogelijk zijn dat de bestuursrechter uit eigen beweging vaststelt dat er sprake was van betalingsonmacht₁₀. ‘Aannemelijk’ is soepeler dan sluitend bewijs₁₁, staat laag in de trappen van vergelijking₁₂ en gaat vanuit de menselijke ervaring uit van het gewone₁₃. Uit procedures over zelfstandigenaftrek kunnen we afleiden dat een toereikend kennisniveau van ‘het gewone’ bij rechters en een deugdelijke taakuitoefening essentieel zijn om de wet te effectueren zoals die bedoeld is. En dat dat niet vanzelfsprekend is₁₄.
Voorlopige beslissing
Bij een beroep op betalingsonmacht worden inkomensgegevens verlangd. De samenleving krijgt van rechterlijke instanties geen transparantie over het formulier en de werkwijze/denkwijze bij het concept ‘beroep op betalingsonmacht’, over de omgang met het grondrecht. Dat formulier en de werkwijze zijnook niet afgestemd op winstinkomen en de eigenschappen daarvan.
In de praktijk wordt er een voorlopige beslissing door een administratief medewerker gegeven, waarbij het evengoed aankomt op diens wil en vermogen verantwoord om te gaan met macht en integer te handelen₁₅. De beslissing zal aan art. 6 EVRM onderworpen zijn₁₆ en er moet voor de juiste interpretatie van het inkomen en kennis van ‘het gewone’ worden gezorgd. Daarbij zal in deze fase al rekening moeten worden gehouden met EHRM-jurisprudentie over griffierechten bij de toegang tot het recht; die geldt als gezaghebbend₁₇ en is van belang als minimumwaarborgen en resultaatsverplichtingen (art. 1 EVRM) en de hoogte₁₈ en gevaren₁₉ die het eindbedrag₂₀ aan griffierechten met zich meebrengen. Beroepsethiek, de rechtsstatelijke moraal en integriteit verdienen ook in deze context te aandacht, mede gelet op integriteitsrisico’s die zich bij het isolement₂₁ waarin de rechtspraak zich (los van andere staatsmachten) beweegt, kunnen voordoen.
Vanuit dit fundamentele recht zou het systeem van toegang tot de rechter in deze fase al voldoende duidelijk moeten zijn: ondoorgrondelijkheid is een schending van recht op toegang tot de rechter uit art. 6 lid 1 EVRM₂₂. Maar die waarborg is niet geïmplementeerd in de afhandeling door de administratie en het formulier dat de rechtzoekende moet invullen. In de praktijk wordt vooraf geen duidelijkheid aan de zelfstandig ondernemer geboden over hetgeen van hem of haar wordt verwacht voor een succesvol beroep op betalingsonmacht. Er zijn geen toetsingskaders voor kleine ondernemers, per markt, per beroep, etc.. en voor bewijswaardering van hun inkomen. Waarborgen tegen willekeur en machtsmisbruik ontbreken. Hoe conform het doel van de wetgever moet worden voorkomen dat deze ‘bepaalde groep’ toegang tot het recht zou worden ontnomen₂₃, is niet duidelijk.
Het fundamentele recht op toegang tot de rechter (art. 6 EVRM) wordt bij een beroep op betalingsonmacht beperkt via ontvankelijkheidsvoorwaarden. Dit recht vereist dat de beperking een legitiem doel dient en er evenredigheid is tussen doel en middel. Aan de gebruikelijke ‘mening’ van de administratief medewerker dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan, ontbreekt even gebruikelijk een deugdelijke motivering en inzichten in legitiem doel en evenredigheid (schending art. 6 EVRM), waarmee de medewerker zelf niet voldoet aan de voorwaarden van rechtsstatelijk overheidshandelen.
Appels, peren en niet motiveren
In de omgang met ondernemers ligt vanuit welvaartsperspectief meervoudige inefficiëntie op de loer. Zoals gezegd, zijn het formulier en de werkwijze bij de inkomensbeoordeling niet afgestemd op winstinkomen en de eigenschappen daarvan. Het (winst)inkomen van zelfstandig ondernemers is pas 3 à 4 jaar na het boekjaar bekend, wordt per jaar bepaald (art. 3.2 Wet IB 2001), is bedoeld voor levensonderhoud, investeringen en reserves₂₅ en kan ook in verlies resulteren₂₆. Als bewijsstukken van inkomen worden ‘een recente betalingsspecificatie of een loonstrook’ als voorbeeld genoemd en van vermogen ‘een recent bankafschrift’, maar de behoefte aan bewijs is in de praktijk ten aanzien van een zelfstandige onverzadigbaar₂₇. Dit, terwijl het Europese Hof Nederland in 2012 al op de vingers heeft getikt vanwege de extreem formalistische houding bij betalingsonmacht₂₈. Een vreemdeling daarentegen hoeft nauwelijks iets te bewijzen₂₉.
Ondanks de vereiste integriteit₃₀ en deskundigheid₃₁ trachten rechters winstinkomen te meten aan de bijstandsnorm₃₂, terwijl winstinkomen bedoeld is voor levensonderhoud, investeringen en reserves₃₃ en ook in verlies kan resulteren₃₄ en de bijstandsnorm alleen uitgaat van levensonderhoud; er wordt niet uitgegaan van een waarheidsgetrouw beeld van de betalingsonmacht. De toegang tot het recht wordt ongemotiveerd (schending art. 3:46 Awb/6 EVRM/121 Gw/gedragsregels) onderworpen aan en geweigerd via een vergelijking tussen appels en peren (schending gelijkheidsbeginsel), zodat inhoudelijke behandeling (en bijvoorbeeld betaling van schadevergoeding of uitkering) achterwege blijft.
Ondernemers zijn niet vrij in de besteding van hun inkomen₃₅. Er is altijd geld achter de hand nodig voor het afdragen van BTW en inkomstenbelasting, voor bedrijfskosten en verzekeringspremies en het opvangen van eventuele wanbetaling of minder opdrachten. Juist in financieel moeilijke tijden zullen er ook tijdsbesteding, marketingkosten en investeringen nodig zijn om daaruit te komen₃₆. Terwijl bij een vreemdeling niet van belang wordt geacht of hij spaargeld achter de hand heeft₃₇, willen rechters er bij zelfstandigen geen rekening houden met mogelijk toekomstige kosten₃₈ of zien – nota bene tijdens de coronapandemie – in reserves voor eigen ziekterisico’s voldoende reden om de toegang tot het recht te weigeren₃₉. Bij een in betalingsonmacht verkerende rechtspersoon wordt naar een draagkrachtige natuurlijke persoon gezocht₄₀.
Terwijl ondoorgrondelijkheid een schending van recht op toegang tot de rechter uit art. 6 lid 1 EVRM is₄₁, hanteren rechters achteraf in hun uitspraak een ‘referentieperiode’ van enkele maanden waarover het inkomen bepaald wordt bij de beoordeling voor beroep op betalingsonmacht, veronderstellende dat de rechtzoekende maandelijks over een bepaald bedrag kan beschikken, terwijl winstinkomen o.g.v. art. 3.2 Wet IB 2001 op jaarbasis bepaald wordt. In de informatie vooraf wordt over de referentieperiode èn over de discrepantie tussen de referentieperiode en de periode waarover het inkomen feitelijk berekend wordt geen informatie verschaft.
Met de achteraf geconstrueerde ‘referentieperiode’ wordt (achteraf) nog niet beschikbaar bewijs verlangd – dat ook nog betrouwbaar en verifieerbaar moet zijn₄₂ – en een bewijsnood voor de ondernemer gecreëerd₄₃. De termijn tot aan de definitieve aanslag Inkomstenbelasting wordt hen tegengeworpen bij de toegang tot het recht (schending art. 6 EVRM, 47 Handvest EU, Algemene bepaling en art. 17 Gw). En als de definitieve aanslag alsnog aan de rechter(s) of staatsraden wordt overgelegd, wordt die door hen genegeerd₄₄ in plaats van ten grondslag gelegd aan een rechtvaardige beslissing (§ 1.1 NVvR rechterscode). En met een fictief beroep op betalingsonmacht op de zitting wordt je als rechtzoekende ook gemakkelijk buiten spel gezet₄₅.
In plaats van met een kritische rechtsstatelijke blik verantwoording te nemen over onrechtsstatelijkheid, nemen rechters – in de wetenschap dat het denkkader van bijstandsnorm en referentieperiode ongeschikt is voor de beoordeling van ondernemersinkomens – het standpunt in dat met de mogelijkheid van vrijstelling van het griffierecht de toegang tot de rechter ook in het geval van betalingsonmacht gewaarborgd blijft₄₆ of voor minder draagkrachtigen is verzekerd₄₇. Of ze zien hun denkkader en onverzadigbare bewijsbehoefte niet als een belemmering₄₈. Het doodlopende spoor wordt door een roze bril bekeken.
Evenredigheid en redelijkheid?
Zoals gezegd, vereist het fundamentele recht op toegang tot de rechter (art. 6 EVRM) dat beperking daarvan een legitiem doel dient en er evenredigheid is tussen doel en middel. Ook (de motivering van) de uitspraken van rechters zien daar niet op (schending art. 3:46 Awb/6 EVRM/121 Gw/gedragsregels). EHRM-jurisprudentie over griffierechten bij de toegang tot het recht wordt genegeerd, terwijl die als gezaghebbend geldt en de Nederlandse rechter – dus ook de bestuursrechter – daar rekening mee te houden heeft₅₀. Het gaat bij het EVRM om minimumwaarborgen en resultaatsverplichtingen (art. 1 EVRM). Financiële drempels zoals griffierecht kunnen een aantasting van het recht op toegang tot de rechter (art. 6 EVRM) zijn. Zij kunnen te hoog zijn voor de onderneming₅₁ of de voortzetting van de zelfstandige beroepsuitoefening in gevaar brengen₅₂. Soms zijn ze in het algemeen (te) hoog in vergelijking met het inkomen, ongeacht of reeds korting is gegeven₅₃ (het gaat om het eindbedrag).
Griffierecht zou partijen moeten stimuleren om op een efficiënte manier te procederen₅₄ en in het bestuursrecht een kosten/baten-afweging te maken₅₅. Maar de constructie van beroep op betalingsonmacht mist vaak zijn doel van toegankelijk recht en dat leidt tot inefficiëntie (weigering rechtsbescherming, instandhouding onrechtmatige besluiten/rechtstoestanden, verzetsprocedures, herzieningsprocedures, impasses in mensenlevens, een opeenstapeling van problemen en procedures, benadeling economie en ondernemingsklimaat, gevolgen gezondheidstoestand). Waar weigering van toegang tot de rechter en het niet kunnen effectueren van rechten het ondernemerschap belemmert, zal Nederland ook geen welvaartswinst uit dat ondernemerschap zien (en kunnen anderen profiteren). Het (stelselmatig) onrechtsstatelijk overheidshandelen kan de financiële situatie van de rechtzoekende behoorlijk verslechteren, waarmee niet ‘redelijkerwijs’ (art. 8:41 lid 6 Awb) kan worden verondersteld die (en primaire levensbehoeften) verder in gevaar te brengen dan de overheid al doet. Verder heb je als rechtzoekende maar beperkte invloed op de (subjectieve) beleving en biases van de rechter van wat ‘gewoon’ of ‘aannemelijk’ is. Maar in de praktijk hebben rechters geen oog voor de overmacht waarin je als rechtzoekende kunt verkeren.
Niet-ontvankelijkheid zonder waarborg onaanvaardbaar
Niet-ontvankelijkheid vanwege onbetaald blijven van griffierecht zonder waarborgen is volgens de Hoge Raad (met ABRvS) onaanvaardbaar₅₇. Rechtsbescherming moet een vanzelfsprekendheid zijn en het is belangrijk dat mensen toegang hebben tot het recht (zie ook artt. 6 EVRM, 2 lid 3 en 14 IVBPR en artt. 8 en 10 UVRM₅₈, 17 Gw). Dat is het fundament van onze rechtsstaat₅₉ die er ook moet zijn voor zelfstandigen of mensen met winstinkomen. Maar de vaststelling van een gebrek aan waarborgen betekent niet dat er actie wordt ondernomen om die gebreken te verhelpen of dat niet-ontvankelijkheid achterwege blijft₆₀. De niet-ontvankelijkheid wordt gerechtvaardigd naar de brieven en nota’s die de rechterlijke instantie aan de rechtzoekende heeft gestuurd om het griffierecht geint te krijgen₆₁, niet naar de behoefte van de rechtszoekende (distributieve rechtvaardigheid₆₂), de dubbele onrechtvaardigheid die bij het niet-effectueren van (grond)rechten bestaat en waarborgen zoals die in een rechtsstaat gelden, minimumwaarborgen uit het EVRM₆₃, de ambtseed₆₄ en – voor rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid₆₅ – de gedragscodes. Dat leidt vaak niet eens tot twijfel bij de rechter zodat die ook de zitting achterwege laat (art. 8:54 Awb)₆₆. Jou als rechtzoekende verbouwereerd achterlatend. Als de nota de mogelijkheid van beroep op betalingsonmacht niet vermeldde, kan die gelegenheid in verzet worden hersteld₆₇. Wellicht moeten we ons wel alvast zorgen maken over het moment dat hier artificiële intelligentie (AI) voor ingezet wordt. Dan dreigen aandacht voor de zaak en vaardigheden te verminderen. Als de uitkomst van algoritmes of AI-hallucinaties ook niet tot twijfel leiden, komt het eerlijk proces op punten van toegankelijkheid en openbaarheid verder in gevaar.
Zoals uit het voorgaande is af te leiden, biedt het aannemelijkheidscriterium uit art. 8:41 lid 6 Awb – uitgaande van ‘het gewone’ naar ervaringsregels₆₈– ook weinig waarborg. De tijd moet uitwijzen hoe dit voor mensen met verminderd doenvermogen uitpakt.
Eind goed, al goed?
Er is vanuit art. 13 EVRM een rol voor de rechter weggelegd bij preventie en het stoppen van continuering van EVRM-schendingen₇₀. Procedureel moeten herstelmaatregelen kunnen worden genomen₇₁ en als preventie van schending onmogelijk is, dient ‘adequate redress’ – geschikt rechtsherstel – te worden verleend₇₂. Gedragsregels voor hoger beroep-rechters zien op hun verantwoordelijkheden als eindrechter, in de rechtsontwikkeling en ter adequate behandeling₇₃ waarmee het op hun weg ligt voor de eindstreep het eerlijk proces te waarborgen₇₄ bij hun omgang met niet-ontvankelijkheid bij beroep op betalingsonmacht te voorkomen dat schendingen van eerlijk proces / toegang tot de rechter / menselijke waardigheid en de extreem formalistische houding bij bewijs tot normen van overheidsgedrag wordt gemaakt en om geschikt rechtsherstel te bewerkstelligen. Vooralsnog blijft de toegang tot het recht ook door eindrechters met de jurisprudentie, gedragsregels, individuele en maatschappelijke belangen en de definitieve aanslag in hun hand (maar vergelding in hun hoofd?), gestremd₇₅. Met alle gevolgen van dien. Wat er moet gebeuren voordat meldingen en klachten van schending van gedragsregels als signaal van integriteitsproblemen de aandacht krijgen die ze verdienen, is ook nog een vraag₇₆. Zonder effectuering van (grond)rechten mist de rechtsorde zijn betekenis. Dat zou binnen de daarvoor verantwoordelijke organisaties stof tot nadenken, spreken en veranderen moeten zijn.
₁ Rb. Amsterdam 16 november 2021, 20/5028, CRvB 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2458 en Rb. Amsterdam 28 mei 2021, 20/1268 en ECLI:NL:RBAMS:2021:2127, CRvB 23 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2922, CRvB 23 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2923, CRvB 24 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:728, CRvB 18 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1250, CRvB 18 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1233 CRvB 28 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:831, Rb Amsterdam AMS 20/3566 (tevens 23/3872, Vovo AMS 20/3626), 25 februari 2021, 8 november 2021, 21 oktober 2024, 23/3872 en Rb Amsterdam 8 september 2022, 21/2956, ABRvS 5 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:443.
₂ HvJ EU 10 maart 2020, ECLI:EU:T:2020:89, r.o. 149; HvJ EU 22 Januari 2013, ECLI:EU:C:2013:28, r.o. 42 (Sky Österreich GmbH / Österreichischer Rundfunk). M.b.t. interpretatie art. 6, lid 1, derde alinea, VEU, art. 52, lid 7 Handvest EU, HvJ EU 22 december 2010, ECLI:EU:C:2010:811, r.o. 32 (DEB).
₃ Kamerstukken II 2015/16, 34 517, 3.
₄ Inwerkingtreding 30 augustus 2022, Stb. 2022, 332. Van beperktere reikwijdte zijn art. 6 EVRM, art. 14 IVBPR en artt. 47-50 Handvest EU.
₅ Winstinkomen wordt behaald door een combinatie van arbeid en kapitaal en dient het mede voor reserveringen ter financiering van de continuïteit en de groei van de onderneming (Kamerstukken II 2008/09, 32128, 3, p. 88. Over functie van ondernemersinkomen ook Kamerstukken II 1982/83, 17 943, 1-3, p. 5 en Kamerstukken II 2011/12, 33003, 3, p. 20).
₆ European Union Agency for Fundamental Rights FRA (2015), Freedom to conduct a business: exploring the dimensions of a fundamental right, p. 47-50. Zie over effectief rechtsmiddel voor ondernemingen ook VN-rapport A/72/162: Report on access to effective remedy for business-related human rights abuses d.d. 19 juli 2027 < https://www.ohchr.org/en/documents/thematic-reports/a72162-report-access-effective-remedy-business-related-human-rights >
₈ Art. 3:46 Awb/6 EVRM/121 Gw/§ 2.4.3 NVvR rechterscode en specifieke standaarden.
₉ Rb. Amsterdam 16 november 2021, 20/5028, r.o. 3 waartegen geen rechtsbescherming is geboden CRvB 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2458. Zie ook: Rb. Amsterdam 25 februari 2021, AMS 20/3566
₁₀ Stcrt 2024/11807, p. 19.
₁₁ A.T. Marseille & H.D. Tolsma (red.) e.a., Bestuursrecht; Rechtsbescherming tegen de overheid, Den Haag: Boom Juridisch 2016, p. 258.
₁₂ Hierover bijv. Prof. mr. R.J.N. Schlössels, ‘Een vrije en kenbare bewijsleer?’ in: Bestuursrechtelijk bewijsrecht: wetgever of rechter?, preadviezen VAR-reeks 142, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2009, p. 22-23 (voetnoot 62).
₁₃ Hierover bijv. Prof. mr. R.J.N. Schlössels, ‘Een vrije en kenbare bewijsleer?’ in: Bestuursrechtelijk bewijsrecht: wetgever of rechter?, preadviezen VAR-reeks 142, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2009, p. 59.
₁₄ Rb. Noord-Holland 28 februari 2023, 21/5190, Hof Amsterdam 14 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3572, HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1903, Rb. Noord-Holland 14 september 2023, HAA 22/3558, Hof Amsterdam 28 mei 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2041, HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1905.
₁₅ Van Rechtspraakmedewerkers wordt integriteit – zowel toepassing van de wet, als naleving van de wet en (interne) regels – verwacht: Gedragscode Rechtspraak d.d. 7 juni 2024, p. 7. M.L. van Emmerik, mr. J.P. Loof, mr. Y.E. Schuurmans, Systeemwaarborgen voor de kernwaarden van de rechtspraak, RvdR Research Memoranda 2014/2, p. 53.
₁₆ De eisen die artikel 6 EVRM stelt aan rechters inzake hun onpartijdigheid zijn ook van toepassing op juridisch ondersteuners indien aan hen in een concrete zaak specifieke taken zijn toebedeeld die van belangwekkende betekenis zijn voor het (eerlijke) verloop van de procedure (EHRM 21 juni 2011, 46575/09 (Belizzi v. Malta))
₁₇ O.a. HR 10 november 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC1692.
₁₈ EHRM 10 januari 2006, 48140/99 (Teltronic-Catv/Polen)
₁₉ ABRvS 10 april 2002, JB 2002, 146.
₂₀ Griffierecht kan achterwege worden gelaten (wetsgeschiedenis, HR 13 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:820 in noot 51), al lijkt dat in Amsterdam niet snel te gebeuren (Rb. Amsterdam 28 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2127, r.o. 4.1-4.5).
₂₁ A. Straathof e.a., 7 red flags: verhoogde kans op fraude en corruptie, TvOO 2016/4, p. 65-71. Andere red flags zijn machtsafstand, geheimhoudingsconstructies, ring of silence, verkeerd voorbeeldgedrag, zwakke bedrijfsvoering en resultaatgedrevenheid.
₂₂ EHRM 16 december 1992, NJCM 1992/330 (De Geouffre de la Pradelle/Frankrijk); EHRM 12 november 2002 (EHRC 2002/114 (Beles e.a.Tsjechie); EHRM 24 februari 2004, EHCR 2004/34 (Vodarenska Akciova Spolecnost A.S./Tsjechie).
₂₃ Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 125.
₂₅ Kamerstukken II 2008/09, 32128, 3, p. 88. Over functie van ondernemersinkomen ook Kamerstukken II 1982/83, 17 943, 1-3, p. 5 en Kamerstukken II 2011/12, 33003, 3, p. 20.
₂₆ Winstinkomen wordt behaald door een combinatie van arbeid en kapitaal en dient het mede voor reserveringen ter financiering van de continuïteit en de groei van de onderneming (Kamerstukken II 2008/09, 32128, 3, p. 88. Over functie van ondernemersinkomen ook Kamerstukken II 1982/83, 17 943, 1-3, p. 5 en Kamerstukken II 2011/12, 33003, 3, p. 20).
₂₇ Bijv. Rb. Amsterdam 25 februari 2021, AMS 20/3566, Rb. Amsterdam 28 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2127, Rb. Amsterdam 8 november 2021, AMS 20/3566, Rb. Amsterdam 16 november 2021, 20/5028.
₂₈ EHRM 10 januari 2012, 22251/07 (G.R. / Nederland)
₂₉ ABRvS 29 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2669, r.o. 1.2.
₃₀ NVvR Rechterscode, p. 6, 7 tevens § 1.1 Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak, januari 2014, p. 3 en 4, ook geldend voor staatsraden (https://www.raadvanstate.nl/publicaties/regelingen/gedragsregels-voor-staatsraden/)
₃₁ Over deskundigheid NVvR-rechterscode 26 september 2011, § 2.4.1, Gedragscode Rechterlijke Macht (Staatscourtant 2013, 31059 d.d. 8 november 2013). Ook art. 1.1 en 2.1.6 Professionele standaarden bestuursrecht d.d. 14 september 2017.
₃₂ Rb. Amsterdam 25 februari 2021, AMS 20/3566, Rb. Amsterdam 28 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2127, r.o. 3.10 en 3.12, Rb. Amsterdam 8 november 2021, AMS 20/3566, Rb. Amsterdam 16 november 2021, 20/5028, r.o. 9, CRvB 24 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:732, Rb Amsterdam 8 september 2022, 21/2956, CRvB 10 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:30, r.o. 4.2.1, CRvB 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2458 r.o. 2.
₃₃ Kamerstukken II 2008/09, 32128, 3, p. 88. Over functie van ondernemersinkomen ook Kamerstukken II 1982/83, 17 943, 1-3, p. 5 en Kamerstukken II 2011/12, 33003, 3, p. 20.
₃₄ Winstinkomen wordt behaald door een combinatie van arbeid en kapitaal en dient mede voor reserveringen ter financiering van de continuïteit en de groei van de onderneming (Kamerstukken II 2008/09, 32128, 3, p. 88. Over functie van ondernemersinkomen ook Kamerstukken II 1982/83, 17 943, 1-3, p. 5 en Kamerstukken II 2011/12, 33003, 3, p. 20).
₃₆ Bijv. F. Hogema, Financiën voor ZZP’ers en andere zelfstandig ondernemers; Hoe je een financieel gezond bedrijf runt, Van Duuren Management 2017.
₃₇ ABRvS 29 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2669, r.o. 1.2.
₃₈ Rb. Amsterdam 25 februari 2021, 20/3566, r.o. 4.5.3.
₃₉ CRvB 24 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:732.
₄₀ Rb. Oost-Brabant 24 oktober 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:6494, Hof Den Bosch 19 november 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:3550.
₄₁ EHRM 16 december 1992, NJCM 1992/330 (De Geouffre de la Pradelle/Frankrijk); EHRM 12 november 2002 (EHRC 2002/114 (Beles e.a./Tsjechie); EHRM 24 februari 2004, EHCR 2004/34 (Vodarenska Akciova Spolecnost A.S./Tsjechie).
₄₂ Rb. Amsterdam 16 november 2021, 20/5028, r.o. 3.
₄₃ Rb. Amsterdam 25 februari 2021, AMS 20/3566, Rb. Amsterdam 28 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2127, Rb. Amsterdam 16 november 2021, 20/5028, r.o. 4, CRvB 10 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:30, r.o. 4.2.2.
₄₄ CRvB 24 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:732, CRvB 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2458, Rb. Amsterdam 21 oktober 2024, 23/3872, ABRvS 5 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:443, CRvB 28 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:831.
₄₅ Rb. Amsterdam 21 oktober 2024, 23/3872, r.o. 11-14.
₄₆ Rb. Amsterdam 8 september 2022, 21/2956, r.o. 4.3.
₄₇ CRvB 28 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:831.
₄₈ Rb. Amsterdam 28 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2127, Rb. Amsterdam 16 november 2021, 20/5028, r.o. 13. (onverzadigbaarheid ook in bijv. Rb. Amsterdam 25 februari 2021, 20/3566, Rb. Amsterdam 8 november 2021, 20/3566, Rb. Noord-Holland 15 december 2022. 20/5141.
₅₀ O.a. HR 10 november 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC1692.
₅₁ EHRM 10 januari 2006, 48140/99 (Teltronic-Catv/Polen)
₅₂ ABRvS 10 april 2002, JB 2002, 146.
₅₃ EHRM 26 oktober 2010, EHRC2011/7 (Ivlarina/Letland).
₅₄ F.J. Femhout,‘Verhoging griffierechten: slecht denkwerk, slechte wetgeving’, TvPP 2012/1.
₅₅ Kamerstukken II, 1984/85, nr. 3, blz. 6 en Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 125.
₅₇ HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699, r.o. 3.3.3-3.3.7. Aangesloten is bij ABRvS 6 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4443. Het oordeel dat in bepaalde gevallen de heffing van griffierecht achterwege moet worden gelaten is ook gebaseerd op de wetsgeschiedenis bij het griffierecht in bestuursrechtelijke zaken, aldus HR 13 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:820 in noot 51.
₅₈ VN, AV (1948), Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM), 10 december 1948.
₅₉ Rapport parlementaire enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening ‘Blind voor mens en recht, d.d. 26 februari 2024, p. 76.
₆₀ CRvB 8 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1010.
₆₁ Rb. Amsterdam 25 februari 2021, AMS 20/3566, r.o. 5, Rb. Amsterdam 28 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2127, r.o. 6.2, CRvB 23 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2923, CRvB 8 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1010.
₆₂ Aristoteles onderscheidde twee soorten rechtvaardigheid: (1) retributieve/vergelding en (2) distributieve/naar verdienste of behoefte.
₆₃ Als resultaatsverplichting o.g.v. art. 1 EVRM
₆₄ Uitgebreid over de ambtseed/-belofte HR 13 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:820.
₆₅ Bij de gedragscodes gaat het om (gezaghebbend) soft law, die een belangrijke aanvullende bron vormt met het oog op het waarborgen van (onder meer) de rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid. (HR 13 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:820 refererend naar M.L. van Emmerik, J.P. Loof & Y.E. Schuurmans, Systeemwaarborgen voor de kernwaarden van de rechtspraak 2014, Den Haag: SDU Uitgevers, nrs. 2.2.2.5 en 2.4. In gelijke zin: C.P.M. Cleiren, De neutrale strafrechter. Instrumenten en waarborgen voor onafhankelijkheid en onpartijdigheidheid, Den Haag: Boom Juridisch 2012, p. 37 e.v.).
₆₆ Rb. Amsterdam 25 februari 2021, AMS 20/3566, CRvB 23 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2922, CRvB 23 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2923.
₆₇ Rb. Noord-Holland 8 februari 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:1099.
₆₈ Hierover bijv. Prof. mr. R.J.N. Schlössels, ‘Een vrije en kenbare bewijsleer?’ in: Bestuursrechtelijk bewijsrecht: wetgever of rechter?, preadviezen VAR-reeks 142, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2009, p. 59.
₇₀ EHRM 15 januari 2009, 33509/04, par. 97 (Burdov/Rusland)
₇₁ EHRM 30 oktober 1991, 13163/87, 13164/87, 13165/87, 13447/87 en 13448/87 (Vilvarajah e.a./Verenigd Koninkrijk); EHRM 21 oktober 1996, 15211/89, par. 41 (Calogera/Italie).
₇₂ EHRM 6 september 1978, 5029/71, par. 64 (Klass e.a./Duitsland); EHRM 15 januari 2009, 33509/04, par. 97 (Burdov2 / Rusland).
₇₃ Professionele standaarden de rechters van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven hoger beroep, p. 5, 7.
₇₄ EHRM 23 juni 1981, nr. 6878/75;7238/75, Series A 43, r.o. 51 (Le Compte, Van Leuven & De Meijere), EHRM 10 februari 1983, nr. 7299/75;7496/76, Series A 58, r.o. 29 (Albert & Le Compte), EHRM 26 maart 1987, 9248/81 en EHRM 26 april 2007, 71525/01 (Dumitri Popescu).
₇₅ CRvB 24 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:732, CRvB 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2458, ABRvS 5 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:443, CRvB 28 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:831.
₇₆ Bijv. RvS brief 2025AJV2461, HR brieven PG-B/2025/375/UIT-PG-Z/2025/14208/GvW en PG-B/2025/375/UIT-PG-Z/2025/14456/GvW.
Proceeding on exemption court fees dead end in access to justice in The Netherlands, inaccessibility without guarantees, extremely formalistic attitude (even after ECHR January 10, 2012, 22251/07) 13166/22 25653/22
April 2022, bijgewerkt 2024, 2025.
Disclaimer
De artikelen en blogposts van Legalance bieden algemene informatie en zijn niet bedoeld als advies. Er is niet beoogd volledigheid over een bepaald leerstuk na te streven . Ook kande informatie verouderd, onvolledig en/of onjuist zijn door wijzigingen in wet- en regelgeving, nieuwe rechtspraak of andere ontwikkelingen. Aan de hier aangeboden informatie kunnen dan ook geen rechten worden ontleend. De auteur daarvan kan niet aansprakelijk worden gehouden voor de gevolgen van het gebruik, op welke wijze dan ook, van deze informatie.
Welkom bij Legalance. Ik ben Anneke, jurist voor ondernemers en particulieren. Ook werk ik als freelance-jurist* of teken ik voor legal design. Hier vind je artikelen en blogposts op het gebied van bestuursrecht, erfgoedrecht (incl. werelderfgoed), horecarecht, ICT-recht, intellectueel eigendomsrecht, kunstrecht, mededingingsrecht, mensenrechten, omgevingsrecht, privaatrecht, privacy en verwerking persoonsgegevens (AVG), (goederen) vervoersrecht en veterinair recht (multidisciplinair).
Ben je niet op zoek naar een advocaat, maar wel naar de juridische oplossing, vraagbaak of ondersteuning die bij jou, je bedrijf of organisatie past? Laten we eens kennismaken.
*Jurist of paralegal vanuit Spijkenisse, vanaf Voorne-Putten (bij Rotterdam).




