Blog over het kwekersrecht met afbeelding van aardbei
Het kwekersrecht
Eenbescherming voor nieuwe plantenrassen
Wanneer je als kweker een nieuw ras hebt ontwikkeld, verkrijg je met de regels uit het kwekersrecht gedurende een bepaalde tijd een exclusief recht op exploitatie van het teeltmateriaal, zodat je inspanningen beloond worden en je je investeringen kunt terugverdienen. Anderen kunnen op de kennis voortbouwen voor verdere ontwikkeling en verbetering.

De wet en enkele begrippen
Het kwekersrecht is m.n. geregeld in de Zaaizaad- en Plantgoedwet 2005 ('ZPW')[1] en in de Europese  Verordening inzake het communautaire kwekersrecht 2100/94 ('GKVo')[2], voor rasbescherming op nationaal respectievelijk Europees niveau. Beide zijn afgestemd op het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekproducten (UPOV-Verdrag[3]).
     Het begrip 'ras' wordt art. 1 sub c ZPW gedefinieerd₄. Kortgezegd gaat het om een homogene groep planten die zich vanwege de eigenschappen onderscheidt van alle andere plantengroepen en die geschikt is om onveranderd te worden vermeerderd. De plantengroep is landbouwtechnisch gezien een zelfstandige eenheid binnen een soort. Zo zijn Arosa, Darselect en Karona rassen van de soort aardbei.
     Voor de wet wordt "degene die een ras door eigen arbeid heeft gekweekt of die het ras heeft ontdekt en ontwikkeld, of diens rechtverkrijgende" als kweker aangemerkt (art. 1 sub j ZPW). De gevallen waarin een werkgever of opdrachtgever aanspraak kan maken op het kwekersrecht zijn geregeld in art. 51 ZPW.
     Onder teeltmateriaal wordt verstaan: "planten en plantendelen, die bestemd zijn om voor de teelt van gewassen of ter vermeerdering te dienen dan wel daartoe gebruikt worden" (art. 1 sub f ZPW). Hiervan wordt onderscheiden materiaal dat voor consumptiedoeleinden bestemd is[5]. Ook gerooid materiaal kan 'teeltmateriaal' zijn[6].

Procedures
Als je teeltmateriaal in de handel wilt brengen, kun je via twee wegen een inschrijving in het Nederlandse rassenregister verkrijgen:
- de procedure voor toelating van rassen en opstanden op grond van hoofdstuk 5 ZPW;
- de procedure voor verkrijging van een kwekersrecht op grond van hoofdstuk 7 ZPW;
Er kan ook voor beide procedures worden gekozen.

Een nationale rasbescherming dient te worden aangevraagd bij de Raad voor plantenrassen. De beoogde rasbenaming moet aan de criteria voor rasnamen voldoen. Voor de vraag of het teeltmateriaal in aanmerking komt voor bescherming wordt getoetst aan de criteria onderscheidbaarheid, homogeniteit, bestendigheid[7], en nieuwigheid[8] (materiele eisen, art. 49 ZPW).

Een aanvrage voor rasbescherming op Europees niveau kan worden ingediend bij het Communautair Bureau voor Plantenrassen (CBP).

Naam voor het nieuwe ras
Als je ras de procedure met succes heeft doorlopen, volgt inschrijving van een ras in het Nederlands rassenregister. Daarbij stelt de Raad voor plantenrassen een karakteriserende beschrijving vast met de eigenschappen van het ras waarmee het zich van andere rassen onderscheid conform art. 49 lid 4 ZPW. Ook wordt daarbij de naam van het ras ingeschreven (art. 25 lid 3 ZPW). Deze naam geldt als soortaanduiding van het ras (art. 25 lid 4 ZPW).
    Je moet dus bij de aanvraag voor rasbescherming al een voorstel voor rasnaam doen. De naam moet onder andere geschikt zijn om het ras te identificeren en verschillen van andere benamingen die al in bij UPOV aangesloten staten voor bestaande rassen worden gebruikt (art. 27 ZPW) en geen verwarring geven met handelsnamen of merken.  Verder is het goed te weten dat de naam van het ras ook als merk of handelsnaam mag worden gevoerd (art. 46 lid 1 ZPW). Met het oog op verdere ontwikkelingen en toekomstplannen is het dus raadzaam bij de keuze voor rasnaam (naast de daarvoor geldende eisen, art. 27-30 ZPW) ook alvast rekening te houden met de regels voor merken en handelsnamen.

Het exclusieve recht
Een kwekersrecht geeft vanaf het tijdstip van rechtsverkrijging een beschermingstermijn van vijfentwintig jaar (voor sommige gewassen dertig jaar, art. 72 ZPW). Als kweker heb je dan gedurende die termijn het exclusieve recht om teeltmateriaal van het nieuwe ras voort te brengen, verder te vermeerderen of daartoe te behandelen, het materiaal in de handel te brengen₉, uit- en in te voeren en voor een van deze doeleinden in voorraad te hebben (art. 57 ZPW). Anderen mogen dit alleen met toestemming van de kweker (art. 57 lid 2 ZPW). Het exclusieve recht wordt beperkt als het handelingen in de privésfeer betreft en niet bedrijfsmatig ('farmers privilege'), als het voor wetenschappelijk onderzoek is[10] of ten behoeve van de kweek van nieuwe rassen ('breeders exemption').
    Als rechthebbende van het kwekersrecht kun je dus anderen de bevoegdheid verlenen de handelingen uit art. 57 ZPW te verrichten (art. 63 lid 1 ZPW). Je kunt ook worden verplicht licenties te verlenen die in het algemeen belang noodzakelijk zijn (art. 61 ZPW, 17 UPOV).

Uitputtingsregeling
Het kwekersrecht beschermt tot het eerste in het verkeer brengen van het materiaal. Teeltmateriaal dat eenmaal door of met toestemming (licentie) van jou als kwekersrechthouder in Nederland, de EU of de EER in het verkeer is gebracht, mag door iedereen 'vrij' worden verhandeld en gebruikt. Dat is de uitputtingsregeling[11] opgenomen in art. 60 ZPW. Om via deze weg uitholling van het kwekersrecht te voorkomen[12], bestaan twee uitzonderingen. Als het teeltmateriaal
- verder vermeerderd wordt of
- uitgevoerd wordt naar een land dat geen bescherming kent voor het betreffende recht (het kwekersrecht wordt immers beschermd op basis van reciprociteit)
dan kan de kweker daar wel tegen opkomen.
 
[1] Stb. 2005, 184.
[2] Pb. EG d.d. 1 september 1994, L227/1.
[3] Naar de Franse benaming Union International pour la Protection des Obtentions Végétales (Trb. 1992, 52). De Nederlandse vertaling is te vinden in Trb. 1993, 153.
[4] Het begrip 'ras' is in de wet gedefinieerd als "een plantengroep binnen één botanisch taxon van de laagst bekende rang, welke groep, ongeacht of volledig wordt voldaan aan de voorwaarden die deze wet stelt voor de verlening van een kwekersrecht, kan worden (*) gedefinieerd aan de hand van de expressie van de eigenschappen die het resultaat is van een bepaald genotype of een combinatie van genotypen, (•) onderscheiden van elke andere plantengroep op grond van de expressie van ten minste één van die eigenschappen, en (•) beschouwd als een eenheid, gezien zijn geschiktheid om onveranderd te worden vermeerderd" (art. 1 sub c ZPW).
[5] Voor verdere uitleg: Kamerstukken II 1958/59, 5332, 3, p. 18.
[6] PHR 5 februari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:94.
[7] Het onderzoek naar onderscheidendheid, homogeniteit en bestendigheid impliceert een onderzoek naar de zelfstandigheid van het ras en wordt uitgevoerd door Naktuinbouw.
[8] Het nieuwigheidsvereiste ziet hier - anders dan bij het octrooirecht - op eerdere commerciële exploitatie.
[9] Voor uitleg hierover: HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304.
[10] Vergelijk de octrooirechtelijke vrijstelling ex. Art. 53 lid 3 ROW 1995. Bij handelingen die zuiver wetenschappelijk van aard zijn of enkel gericht op enig de strekking van de octrooiwet verwezenlijkend doel, zoals het verder ontwikkelen van der techniek (HR 18 december 1992,  ) kan een beroep op deze uitzondering succesvol zijn.
[11] Over uitputting o.a. Hof Den Haag 15 september 2015, ECLI:NL:GHDHA2015:3834.
[12] Kamerstukken II  1994/95, 24129, 3 p. 17).

Maart 2021
Disclaimer
De artikelen en blogposts van Legalance bieden algemene informatie en zijn nietbedoeld als advies. Er is niet beoogd volledigheid over een bepaald leerstuk nate streven. Ook kan de informatie verouderd, onvolledig en/of onjuist zijn doorwijzigingen in wet- en regelgeving, nieuwe rechtspraak of andere ontwikkelingen.Aan de hier aangeboden informatie kunnen dan ook geen rechten worden ontleend.De auteur daarvan kan niet aansprakelijk worden gehouden voor de gevolgen vanhet gebruik, op welke wijze dan ook, van deze informatie. De tekst-editor veroorzaakttaal- en opmaakfouten in de weergave.