Blog over het overgangsrecht Omgevingswet met afbeelding van Havengebied Rotterdam en Oostvoorne

Omschakelen in de fysieke leefomgeving

Overgangsrecht Omgevingswet

Na meerdere malen uitstel zijn vele wetten dan toch samengebracht tot één complexe wet voor de fysieke leefomgeving: op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden[1]. Daaronder vallen nu bijvoorbeeld jouw woonhuis, jouw bedrijfspand, het water, de lucht, de bodem, de natuur en landschappen om ons heen, de wegen waarover we ons verplaatsen en ons erfgoed. En dat is even omschakelen. Misschien heb je als burger of ondernemer nog een omgevingsvergunningen die onder het oude recht tot stand is gekomen, heb je onder het oude recht nog een vergunningaanvraag ingediend of is er voor de omgeving waar je woont of waar je bedrijf gevestigd is nog een planprocedures begonnen. Hoe wordt daarmee omgegaan? En waar vind je tegenwoordig de regels voor je café of winkel of de ontwikkelingen voor je woonomgeving?

Meestal eerbiedigende werking voor besluiten
Er zijn verschillende manieren om de overgang van oud naar nieuw recht te bewerkstelligen. De overgang naar de Omgevingswet ('Ow') wordt gestroomlijnd door een overgangsrecht. Bij het ontwerp daarvan voor de Omgevingswet is uitgegaan van politiek-bestuurlijk draagvlak, rechtszekerheid, praktische uitvoerbaarheid, eenvoud, uniformiteit en een snelle invoering[2] zodat de periode dat het oude stelsel en de oude instrumenten nawerken, zo kort mogelijk blijft. Er is meestal sprake van eerbiedigende werking. Dat wil zeggen dat bestaande (legale) situaties vanuit het oude recht behouden blijven, dat de status en rechtsgevolg van besluiten blijven bestaan en dat lopende procedures worden afgerond onder toepassing van het oude recht[3]. Omgevingsvergunningen die onder het oude recht zijn verleend en onherroepelijk zijn geworden, behouden dus hun status en rechtsgevolg als de betreffende activiteit onder de Omgevingswet ook vergunningplichtig is (art. 4.13 lid 1 Invoeringswet Omgevingswet ('Iw Ow')).

Plannen: van tijdelijk naar permanent
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet ontstond er voor iedere gemeente 'automatisch' een omgevingsplan, waarvan de bestemmingsplannen en de delen van andere verordeningen met regels voor de fysieke leefomgeving van rechtswege onderdeel zijn geworden. Dat omgevingsplan is tijdelijk en de regels daaruit (inclusief de bruidsschat, zie volgende paragraaf) moeten in de transitieperiode tot 1 januari 2032[4] worden overgeheveld naar het permanente omgevingsplan (art. 22.6 lid 3 Ow). Gedurende die periode bestaan het zogenoemde 'tijdelijke omgevingsplan van rechtswege' en het permanente omgevingsplan dus naast elkaar. De regels in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege hoeven nog niet te zijn gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het omgevingsplan hoeft nog niet in overeenstemming te zijn met omgevingsvergunningen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (art. 22.5 lid 1 en 2 Ow)[5]. Omzetting kan locatiegebonden of themagewijs plaatsvinden. Ook regels uit gemeentelijke verordeningen die over de fysieke leefomgeving gaan, komen in het omgevingsplan (art. 2.4 Ow, voor uitzonderingen art. 2.7 Ow). Zo kun je daar ook delen terugvinden die je uit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) kende. Ben je ondernemer in bijvoorbeeld de horeca of detailhandel, dan is het misschien even omschakelen en zoeken om het plaatje weer compleet te hebben.

In art. 4.6 lid 2 en 3 Iw Ow is een overgangsrecht voor lopende planprocedures opgenomen. Daarvoor wordt onderscheid gemaakt tussen (1) het moment van terinzagelegging bij lopende voorbereidingsprocedures en (2) het moment van inwerkingtreding bij vastgestelde besluiten. Voor de eerstgenoemde categorie volgt uit art. 4.6 lid 3 Iw Ow dat een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp voor 1 januari 2024 ter inzage lag het recht van toepassing is dat daaraan voorafgaand gold van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is[6]. Als een bestemmingsplan na vaststelling in werking is getreden (art. 3.8 lid 5 Wro)[7], valt het vanaf 1 januari 2024 in het tijdelijke omgevingsplan (art. 4.6 lid 1 Iw Ow). Onherroepelijkheid is daarvoor niet vereist[8]. Als het in werking getreden bestemmingsplan vernietigd wordt, vervalt dat deel van het tijdelijke omgevingsplan (onder bepaling van de gevolgen door art. 8:72 lid 2 Awb en het oude recht) en wordt het voorgaande planologische regime onderdeel van het tijdelijke bestemmingsplan. Het oude recht blijft immers van toepassing op een beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan tot dit besluit onherroepelijk is (art. 4.6 lid 3 Iw Ow). Het bestemmingsplan wordt dus onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege, maar blijft voor de beroepsprocedure gelden als plan onder het oude recht[9]. Een geschorst planonderdeel blijft tijdens de beroepsprocedure bestemmingsplan onder het oude recht[10].

De bruidsschat
Ook de 'bruidsschat' is onderdeel geworden van het omgevingsplan. De bruidsschat bevat regels over allerlei onderwerpen die onder het oude recht op nationaal niveau waren geregeld en die onder de Omgevingswet decentraal - in het omgevingsplan of in de waterschapsverordening - zullen worden geregeld, zodat beter op de lokale omstandigheden kan worden ingespeeld[11]. Die onderwerpen waren nog niet in de oorspronkelijke ruimtelijke plannen geregeld en zijn daarom niet 'automatisch' in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege opgenomen; de bruidsschat voorkomt dus dat er over die onderwerpen juridische leemten ontstaan.

Waterschapsverordening
Waterschappen zorgen voor het regionale waterbeheer en zij beheren een deel van de waterkeringen. Anders dan onder de Waterwet (art. 6.2 Wtw) zijn lozingen onder de Omgevingswet alleen verboden voor zover dat bij algemene maatregel van bestuur (art. 5.1 lid 2 sub c Ow) of in een waterschapsverordening is bepaald (art. 5.3 Ow). Er wordt een integraal lozingsbegrip gehanteerd. Een lozingsactiviteit gaat over het brengen van stoffen, water en warme en betreft waterkwaliteit (stoffen, warmte) en waterkwantiteit (water). Onder de Omgevingswet is (met inachtneming van instructieregels) regionaal maatwerk mogelijk. Ook oude rijksregels over lozing zijn als bruidsschat  verplaatst, waarna waterschappen de onderwerpen daaruit zelf kunnen afwegen en regelen. De bruidsschat is uitgewerkt in Afd. 7.2 Iw Ow e bevat een specifieke zorgplicht voor lozingsactiviteiten op oppervlaktewater en een zuiveringtechnisch werk (art. 2.4 Iw Ow). De bruidsschat gaat ook over wateronttrekkingsactiviteiten, beperkingengebiedsactiviteiten betreffende waterstaatswerken en vergunningen voor lozingsactiviteiten. Waterschappen hebben tot 1 januari 2026 de tijd voor hun waterschapsverordening ex art. 2.5 Ow[12].

Omgevingsvisie
Het Rijk, de provincies en gemeenten moeten ieder een eigen omgevingsvisie vaststellen (art. 3.1 Ow), zodat lagere overheden op de hoogte zijn van rijks- en provinciaal beleid[13]. Voor de omgevingsvisie worden kernkwaliteiten van een gebied vastgesteld (art. 3.2 sub a Ow) waarover in een programma wordt aangegeven hoe de gemeente die wil ontwikkelen, gebruiken, beschermen en behouden[14]. In de omgevingsvisie vind je de doelen, ambities en maatschappelijke opgaves voor de fysieke leefomgeving[15]. Dat instrument is niet bindend voor burgers of ondernemers, maar het geeft je wel een indruk van de (beoogde) gebiedsontwikkelingen in de komende jaren en bij de voorbereiding ervan kun je je ideeën naar voren brengen (afd. 3.4 Awb, art. 16.26 Ow, afd. 10.3 Ob). De gebiedsontwikkelingen kunnen meewegen als je wilt verhuizen of je bedrijf ergens wilt vestigen. Gemeenten moeten op 1 januari 2027 hun omgevingsvisie hebben gemaakt[16].

[1] Stb. 2023, 89.
[2] Kamerstukken II 2017/18, 34986, 3, p. 93-94, Stb,. 2020, 400, p. 1158.
[3] Kamerstukken II 2017/18, 34986, 3, p. 449-450.
[4] Stb. 2023, 267; De voortgang wordt gemonitord en medio 2027 wordt bezien of de datum moet worden heroverwogen.
[5] Stb. 2023, 267, p. 3.
[6] ABRvS 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:325.
[7] De inwerkingtreding kan worden voorkomen met door tijdens de beroepstermijn een verzoek om schorsing in te dienen, art. 8.4 Wro.
[8] Als geen voorlopige voorziening wordt aangevraagd of toegewezen zal een bestemmingsplan dat op het moment van in werking treden van de Omgevingswet nog niet is vastgesteld, maar waarvan al wel het ontwerp ter inzage ligt of heeft gelegen, na vaststelling, bekendmaking en het verstrijken van de beroepstermijn in zijn geheel deel gaan uitmaken van het omgevingsplan, ook als tegen (onderdelen van) dat plan beroep is ingesteld. Alleen voor de behandeling van het beroep (inclusief een eventuele toepassing van de bestuurlijke lus) blijft het oude recht van toepassing." (Kamerstukken II, 2017-2018, 34 986, nr. 3, blz. 460)
[9] ABRvS 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174, r.o. 19-20.
[10] Kamerstukken II 2017/18, 34986, 3, p. 460.
[11] Hierover NvT bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet, p. 157.
[12] Stb. 2023, 267.
[13] Kamerstukken II 2013/14, 33962, 3, p. 120-121.
[14] Over de verhouding tussen omgevingsvisie en programma: Kamerstukken II 2013/14, 33 962, 3, p. 118.
[15] O.a. Kamerstukken II 2013/14, 33962, 3, p. 51-52 en 114.
[16]  Stb. 2023, 267.

Foto: Westland, Nieuwe Waterweg, Maeslantkering/Europoortkering, Havengebied Rotterdam/Europoort, Brielse Maas, Oostvoorne/Kruiningergors.

Februari 2024
Update: april 2024

Disclaimer
De artikelen en blogposts van Legalance bieden algemene informatie en zijn nietbedoeld als advies. Er is niet beoogd volledigheid over een bepaald leerstuk nate streven. Ook kan de informatie verouderd, onvolledig en/of onjuist zijn doorwijzigingen in wet- en regelgeving, nieuwe rechtspraak of andere ontwikkelingen.Aan de hier aangeboden informatie kunnen dan ook geen rechten worden ontleend.De auteur daarvan kan niet aansprakelijk worden gehouden voor de gevolgen vanhet gebruik, op welke wijze dan ook, van deze informatie. De tekst-editor veroorzaakttaal- en opmaakfouten in de weergave.