Blog over civiele procedure met afbeelding beeld Vrouwe Justitia

De civiele procedure voor particulieren

In een notendop
Civiele procedures beginnen meestal bij de afdeling Civiel van de rechtbank. Er zijn ook zaken die door de kantonrechter worden behandeld. In kantonzaken kan zonder advocaat worden geprocedeerd, zijn de kosten lager en zijn de zittingslocaties meer over het land verdeeld. Het betreft onder andere zaken waarbij het gaat om geldvorderingen tot en met € 25.000,00, arbeidszaken, huurzaken en consumentenkoopovereenkomsten (zonder maximum bedrag) (art. 93 Rv).

Een procedure kan worden begonnen met een verzoekschrift (art. 261 Rv) of met een dagvaarding (artt. 45 e.v. jo. 111 e.v. Rv). Die laatste komt voor particulieren het meest voor.

De dagvaardingsprocedure begint met de betekening van een dagvaarding door de deurwaarder.

De dagvaarding heeft twee functies: oproeping van de gedaagde namens de eiser en afbakening van het geschil. Het is van belang dat de gedaagde (bij voorkeur persoonlijk) op de hoogte wordt gesteld van de procedure. Meestal moet de dagvaarding (minimaal) een week voor de zitting zijn betekend (art. 114 Rv).

De dagvaarding moet aan inhoudelijke eisen voldoen. Art. 111 lid 2 Rv stelt enkele formele eisen. Vermeld moet worden
- de (achternaam) en voornaam van de eiser en de door hem gekozen woonplaats[1];
- eventueel de naam en het adres van de gemachtigde of advocaat;
- de vordering en de gronden daarvan;
- de rechter, het adres van de zittingsplaats waar de zaak moet worden behandeld en eventueel een afzonderlijk adres voor het indienen van stukken;
- de roldatum waartegen wordt gedagvaard en eventueel tijdstip;
- hoe de gedaagde in rechte kan verschijnen, hoe hij kan antwoorden en welke gevolgen het kan hebben als hij niet verschijnt (bij meer gedaagden, als niet alle gedaagden verschijnen);
- de mededeling of gedaagde bij verschijning griffierecht verschuldigd is met nadere informatie;

Op grond van lid 3 moeten ook de door gedaagde buiten rechte gevoerde verweren worden genoemd en – bij betwisting van de vordering – op welke wijze eiser bewijs kan leveren en welke getuigen daarvoor kunnen worden gehoord.
Als de zaak na betekening van de dagvaarding niet wordt geschikt, is het de vraag of de gedaagde in rechte verschijnt. Als dat niet het geval is, dan wordt 'verstek verleend' (formeel vastgesteld dat de gedaagde niet is verschenen, art. 139 Rv) en kan de rechter de vordering toewijzen. Als de gedaagde wel verschijnt, kan hij verweer voeren. Hij dient een conclusie van antwoord in.

In principe vindt daarna een comparitie plaats (art. 131 Rv). Partijen verschijnen dan op een zitting en de rechter kan proberen een schikking tot stand te brengen (art. 87 Rv) en/of inlichtingen inwinnen (art. 88 Rv). Er kan ook overlegd worden over het vervolg van de procedure. Na de comparitie kan de rechter vonnis wijzen (art. 132 lid 2 Rv). Als er geen comparitie is gehouden of als aanvulling van de standpunten nodig is, dan volgen er nog schriftelijke stukken: een conclusie van repliek (van eiser) en van dupliek (van gedaagde) (art. 132 lid 1 Rv). Daarna zal de rechter meestal vonnis wijzen. Als de zaak voldoende duidelijk is, zal dat een eindvonnis zijn. Als de zaak niet helemaal helder is, zal vaak een tussenvonnis volgen met een bewijsopdracht.

De hoofdregel is dat wie stelt, moet bewijzen (art. 150 Rv). Daarmee ligt de bewijslast meestal bij de eisende partij. Maar op grond van de wet[2] of de redelijkheid en billijkheid kan een andere bewijslastverdeling bestaan. Het bewijs kan op vele manieren worden geleverd: schriftelijke stukken, getuigen, deskundigen etc. Het is aan de rechter welke waarde hij eraan hecht (art. 152 Rv).

Als de rechter voldoende duidelijkheid heeft, zal het (eind)vonnis volgen: toewijzing of afwijzing van de vordering.

Meestal zal verzocht zijn het (toewijzende) vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren (art. 233 Rv), zodat het direct ten uitvoer gelegd kan worden en een eventueel hoger beroep geen schorsende werking heeft. Gewoonlijk wordt ook een beslissing over de proceskosten gegeven, waarmee vaak niet de werkelijke kosten worden gecompenseerd. De partij die in het ongelijk wordt gesteld, moet die kosten meestal betalen (art. 237 Rv).

Verbeterde waarborgen in de Grondwet
Het recht op een eerlijk proces en het recht op toegang tot de rechter zijn in 2022 expliciet in de Grondwet opgenomen[3]. Dit werd mede van belang geacht, omdat het recht op een eerlijk proces een schakelfunctie heeft in de bescherming van andere (grond)rechten[4]. Van beperktere reikwijdte zijn art. 6 EVRM, art. 14 IVBPR en artt. 47-50 Handvest EU. Het belang van de Grondwet en overige wetten wordt in een of andere bewoording in de teksten van de eed/belofte tot uitdrukking gebracht[5]. Eén van de rechtsgevolgen van de eed/belofte is de strafbaarstelling van meineed (art. 207 Sr)[6].

[1] Een in het buitenland wonende eiser die niet bij advocaat procedeert, moet woonplaats in Nederland hebben gekozen.
[2] Bijv. art. 6:50 BW
[3] Inwerkingtreding 30 augustus 2022, Stb. 2022, 332.
[4] Kamerstukken II 2015/16, 34 517, 3.
[5] Bijv. Staatscourant 1998, 92 voor de periode 20 mei 1998 t/m 31 december 2019; Bijlage bij artikel 5g lid 1 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en Staatsblad 2009, 8 p. 16-17.
[6] Uitgebreid over de ambtseed/-belofte HR 13 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:820.

December 2021, bijgewerkt september 2022


Disclaimer
De artikelen en blogposts van Legalance bieden algemene informatie en zijn nietbedoeld als advies. Er is niet beoogd volledigheid over een bepaald leerstuk nate streven. Ook kan de informatie verouderd, onvolledig en/of onjuist zijn doorwijzigingen in wet- en regelgeving, nieuwe rechtspraak of andere ontwikkelingen.Aan de hier aangeboden informatie kunnen dan ook geen rechten worden ontleend.De auteur daarvan kan niet aansprakelijk worden gehouden voor de gevolgen vanhet gebruik, op welke wijze dan ook, van deze informatie. De tekst-editor veroorzaakttaal- en opmaakfouten in de weergave.