Bij de bepaling van woningbouwlocaties moet onder meer rekening worden gehouden met externe veiligheid en gekeken worden naar risicobronnen in het gebied, zoals vliegverkeer₁₁, gevaarlijke stoffen₁₂, vuurwerkopslag, munitieopslag of windturbines. Een instructieregel kan de mogelijkheid van toedeling van woonfunctie aan een locatie beperken. Bouwbeperkingen kunnen de bevolkingsdichtheid, afstand tussen de risicobron en woningen en uitbreidingsmogelijkheden voor woningen en risicobron in balans brengen of houden. Waar de ruimte beperkt is (zoals op de eilanden), kunnen omwille van de veiligheid ook aanvullende maatregelen nodig zijn, zoals de aanleg van schuilplaatsen of vluchtmogelijkheden₁₃ (art. 5.2 lid 1 sub b Bkl). Art. 5.2 Bkl betreft een instructieregel om in het omgevingsplan het voorkomen, beperken en bestrijden van een brand, een ramp of een crisis mee te wegen, rekening houdend met de inzet van hulpdiensten en de vitale functies₁₄.
Artikelen en blog
Sociale grondrechten rondom wonen
Van ruimtelijk beleid tot ondernemersklimaat
In een klein, dichtbevolkt en laaggelegen landje waar we willen zoveel mogelijk mensen een plek proberen te bieden, is het van belang dat verantwoord met de omgeving wordt omgegaan. Met de Woningwet 1901 kreeg de overheid bemoeienis met woonomstandigheden en volkshuisvesting en kregen gemeenten eenvoudige instrumenten voor ruimtelijk beleid. Vanuit internationale verdragen bevat de Grondwet inmiddels sociale grondrechten die mede daarop betrekking hebben en die de zorg bij de overheid leggen. Grondrechten zijn terug te voeren op het grondrecht op menselijke waardigheid (art. 1 Handvest EU).
Bewoonbaarheid land, bescherming leefmilieu
Een van de zorgplichten van de overheid is opgenomen in artikel 21 van de Grondwet:
“De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.”
Die zorg op onderwerpen zoals waterkering, waterbeheersing, leefmilieu en – naast klimaat in zijn algemeenheid – ook specifieke aspecten zoals lucht- en waterkwaliteit, het beperken van CO₂-uitstoot en stikstof, de omgang met afnemende energievoorraden en schaarste in grondstoffen. De zorg omvat ook het voeren van een bevolkingspolitiek₁, natuurbescherming₂, een evenwichtige planologische ordening, het aanleggen van infrastructurele voorzieningen voor verkeer, industrie, wonen en recreatie en het behoud van het stedelijk en landschappelijk schoon₃.
De uitvoering van de zorgplicht in art. 21 Gw en de omgang met tegenstrijdige belangen wordt aan de wetgever overgelaten₄. Met de Omgevingswet is beoogd om naast de waarborging van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook een doelmatig beheer, gebruik en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving₅ mogelijk te maken om maatschappelijke functies of behoeften te vervullen₆, zo volgt ook uit art. 1.3 Ow. Het gaat dus om beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Die omvat in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. Art. 1.6 jo. 1.7 Ow bevat een algemene zorgplicht, waarmee het ieders verantwoordelijkheid is de veilige en gezonde fysieke leefomgeving en goede omgevingskwaliteit voor nadelige gevolgen₇ van activiteiten te behoeden, dus niet alleen van de overheid₈ en niet alleen op papier. De Omgevingswet wordt uitgewerkt in algemene rijksregels, te weten het Omgevingsbesluit (Ob), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)₉. De zorgplichten krijgen nadere invulling door omgevingswaarden en instructieregels₁₀. De gevolgen van voorgenomen beleid kunnen met een effectrapportage in kaart worden gebracht.
De ‘goede omgevingskwaliteit’ duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de intrinsieke waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden en aan dier- en plantensoorten₁₅.
Cultureel erfgoed betreft dat deel van de fysieke leefomgeving (art. 1.2 lid 2 sub i Ow) dat (mede) door toedoen van de mens tot stand is gekomen en een korte of lange geschiedenis kent. Daaraan wordt een algemeen belang toegekend, ongeacht of het een beschermde status heeft₁₆. In het omgevingsplan moet daarmee of de uitzonderlijk universele waarde van werelderfgoed rekening worden gehouden (artt. 2.27/2.28, 5.130/5.131 Bkl). Aan afbraak, slecht beheer, verwaarlozing, onverantwoorde restauratie en opknapbeurten, storende nieuwbouw op historische plekken en verkoop van waardevol oud bezit werd in de 19e eeuw al de term ‘wandalisme’ toegekend₁₇ (vandalisme x wandaad). Vanwege de ankerpunten, de verhalen uit het verleden, de identiteitswaarde en de inspiratiebron voor vernieuwing in vormgeving en voor ruimtelijke ontwikkelingen die mensen aan cultureel erfgoed ontlenen en de aantrekkingskracht op toeristen, investeerders₁₈ en kunstenaars verdient het cultureel erfgoed de aandacht van de gemeenteraad. Mensen geven hun ogen graag de kost bij de schoonheid van kunst en van een aantrekkelijke leefomgeving₁₉. Het erfgoed draagt (al dan niet als neveneffect) bij aan maatschappelijke en culturele ontplooiing en vrijetijdsbesteding, het sociale grondrecht in art. 22 lid 3 Gw en een goed vestigingsklimaat.
De aanwijzing van monumenten en archeologisch monumenten op rijksniveau vindt plaats op grond van de Erfgoedwet (§ 3.1). In het omgevingsplan kunnen locaties de functie van gemeentelijk monument, (gemeentelijk) beschermd stads- of dorpsgezicht of cultuurlandschap krijgen, met bijpassende regels. We beschermen en behouden het erfgoed verder door instandhouding- en onderhoudsplichten, specifieke zorgplichten (artt. 13.7 en 14.7 Bal), een verbod tot het beschadigen of vernielen, vergunningen, toezicht en handhaving. Bescherming van de omgeving is ook van belang (art. 7 Verdrag van Granada).
De zorg voor en het behoud van cultureel erfgoed dient ook toekomstige generaties, waarmee we er als huidige generatie goed aan doen in de omgang met erfgoed niet alleen te kijken naar de voor ‘ons’ geldende regels, maar ook of het moreel juist is om als huidige generatie op de betreffende manier met hun ankerpunten, verhalen uit het verleden, studiemateriaal, etc. om te gaan. Herbestemmen en/of deugdelijk renoveren kan ook in hun belang zijn en de eigen identiteit van het land behouden.
Voldoende woongelegenheid
De woning raakt direct een andere zorgplicht van de overheid, die van bevordering van voldoende woongelegenheid, opgenomen in art. 22 lid 2 van de Grondwet. Bevolkingsgroei, oorlogen, overstromingen, crisissen, aardbevingen en verandering van bevolkingssamenstelling maken van volkshuisvesting een voortdurende uitdaging. Hoewel deze zorg ziet op de primaire levensbehoeften van de mens₂₈ impliceert die geen recht op woonruimte. Art. 25 UVRM geeft eenieder recht op een levensstandaard, die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, waaronder huisvesting. Het recht op huisvesting staat ook in art. 31 ESH en art. 11 lid 1 IVESC. Het grondwetsartikel is slechts beleidsturend, omdat de sociaal-economische mogelijkheden in ons land niet onbeperkt zijn₂₉. De overheidsinspanningen moeten zijn gericht op een voldoende aantal woningen, maar ook op volume, de kwaliteit, de veiligheid en gezondheid ervan₃₀. Tegen de achtergrond van ongezonde woonsituaties – met tuberculose als ‘woningziekte’ – is de Woningwet 1901 tot stand gekomen₃₁. Waar de gemeente in haar omgevingsplan een functie ‘wonen’ toekent, moet de locatie daar ook de geschikte kwaliteit (stedenbouwkundig, milieu) voor hebben of krijgen en worden beschermd tegen negatieve invloeden voor die functie₃₂. Negatieve gezondheidseffecten worden rond Schiphol bijvoorbeeld voorkomen door beperkingengebieden in te stellen om ernstige hinder, ernstige slaapverstoring en verminderde leerprestaties door vliegtuiglawaai te beperken. Er wordt geen nieuwbouw meer toegestaan, bestaande woningen worden wegbestemd of opgekocht en gesloopt zodra de rechtmatige bewoners daar weg zijn₃₃. Onderdeel van de grondwettelijke zorgplicht is de eerlijke verdeling van schaarse woningen. Daartoe heeft de gemeente verschillende instrumenten uit de Huisvestingswet 2014 (Hvw2014) ter beschikking (1) een huisvestingsverordening om woonruimte waar te kort aan is (art. 7 lid 1 jo. Art. 2 lid 1 Hvw 2014), middels een huisvestingsvergunning (art. 8 lid 1 Hvw2014) te regelen, voorrang voor bepaalde categorieën woningzoekenden (art. 14 Hvw2014) en de urgentieregeling voor dringende situaties (art. 12 lid 2 Hvw2014). De bevordering van voldoende woongelegenheid kan in de knel komen met andere grondrechten en grondrechtelijke belangen, zoals een schone leefomgeving of volksgezondheid.
Volksgezondheid
De overheid moet ook die volksgezondheid bevorderen. Dit betreft de zorgplicht in art. 22 lid 1 Gw die ook de bescherming van volksgezondheid omvat. Daarbij kan worden gedacht aan het voorkomen van gevaren, beleid tot o.a. medisch onderzoek, voedselvoorziening, etc.₃₄ Het belang van het beschermen van de gezondheid valt onder de reikwijdte van de Omgevingswet en kan in rijksregels of gemeentelijke regels plaatsvinden₃₅. Zo bevat art. 3.5 Bbl een specifieke zorgplicht maatregelen te nemen als de staat van een bouwwerk – bijvoorbeeld een wooncomplex – een gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan zijn. Rond Schiphol worden beperkingengebieden ingesteld om grote concentraties van personen te voorkomen en het risico van slachtoffers op de grond als gevolg van een vliegtuigongeluk te minimaliseren₃₆ (zie ook eerder genoemde externe veiligheid). De locaties voor opleiding en uitoefening van zorg en hulpverlening voor de inwoners moeten ook ruimtelijk worden ingepast. Artt. 11 en 13 ESH, 35 Handvest EU en 12 IVESCR bevatten bepalingen over het recht op bescherming van gezondheid (met bevordering van de volksgezondheid) en over gezondheidszorg.
Verdienvermogen
Om in Nederland veilig, gezond en prettig te kunnen (blijven) wonen, ook in tijden van vergrijzing, is een goed verdienvermogen nodig. Belastinggeld. Maar juist in het land dat bekend staat om de handelsgeest piept en kraakt het ondernemersklimaat. De milieu- en veiligheidseisen die aan bedrijven worden gesteld brengen hoge kosten met zich mee. Er is onzekerheid voor ondernemers over die eisen en de voortzetting van hun bedrijf. Het ondernemen wordt bemoeilijkt door mobiliteitsproblemen. De regeldruk, ongecoördineerde bureaucratie, onverantwoorde omgang met macht en gebrekkige rechtsbescherming zetten de concurrentiepositie van het land onder druk. In de bescherming van (grond)rechten heeft het recht op een eerlijk proces een schakelfunctie₃₇. Voor de effectiviteit van de vrijheid van ondernemerschap (art. 16 Handvest EU), kan dit recht niet los worden gezien van het recht op een effectief rechtsmiddel (artt. 13 EVRM, 47 Handvest EU), zo benadrukt hetEuropean Union Agency for Fundamental Rights. Het ontbreken van effectieve procedures brengt grote risico's voor ondernemers met zich mee₃₈, dus voor de economie. Voor sommige ondernemingen is het verleidelijker te vertrekken naar het buitenland, waarmee Nederland het nakijken heeft op verdienvermogen, innovatie en werkgelegenheid. Een goed ondernemersklimaat is ook op regionaal niveau van belang om prettig te wonen en te werken. Dit brengt ons weer bij een andere zorgplicht: bestaanszekerheid en spreiding van welvaart (art. 20 Gw).
₁ Kamerstukken II 1976/77, 13873, 7, p. 22. In deze context o.a. Rapport Bevolking en Welzijn van Nederland, Commissie Muntendam, december 1976.
₂ Kamerstukken II 1976/77, 13873 en 13873, 55b, p. 48.
₃ Kamerstukken II 1975/76, 13873, 3, bijlage, p. 31.
₄ Kamerstukken II 1975/76, 13873, 3, p. 13. Art. 21 Gw geeft geen toetsingskader (ABRvS 5 juli 1995, ECLI:NL:RVS:1995:AH6024; ABRvS 27 maart 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AL2421), maar er wordt soms in de rechtspraak wel betekenis aan gegeven, bijv. HR 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC3549 en Rb. Den Haag 24 juni 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:7145.
₅ Het begrip fysieke leefomgeving wordt niet in de wet gedefinieerd. Art. 1.2 lid 2 Ow geeft wel een niet-limitatieve (‘in ieder geval’, zie ook Kamerstukken II 2013/14, 33 962, 3, p. 391) opsomming van onderdelen daarvan: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed (Een andere wijze van ordenen is evenwel mogelijk, Kamerstukken II 2013/14, 33 962, 3. p. 60-61).
₆ Zie ook: Kamerstukken II 2013/14, 33962, 3, p. 261.
₇ Het idee is dat een activiteit de bruikbaarheid, gezondheid of veiligheid van de fysieke leefomgeving voor anderen of de intrinsieke waarde die de maatschappij aan onderdelen daarvan toekent, verandert. De gevolgen kunnen zowel positief als negatief zijn (Kamerstukken II 2013/14, 33962, 3, p. 61)
₈ Kamerstukken II 2013/14, 33962, 3, p. 67.
₉ Respectievelijk Stb. 2018, 290, Stb. 2018, 291, Stb. 2018, 292, Stb. 2018, 293.
₁₀ Een omgevingswaarde is een maatstaf voor de staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving of een onderdeel daarvan, of de toelaatbare belasting door activiteiten of toelaatbare concentratie of depositie van stoffen in de fysieke leefomgeving of een onderdeel daarvan. Het gaat bijvoorbeeld om kwaliteitseisen voor water of lucht en waarden voor de bescherming tegen overstromingen en de veiligheid van waterkeringen (Kamerstukken II 2013/14, 33962, 3, p. 23). Een instructieregel is een regel over uitoefening van een taak of bevoegdheid door een bestuursorgaan. Het gaat bijvoorbeeld om regels over de inhoud, toelichting of motivering van een besluit in verband met de externe veiligheid (Kamerstukken II 2013/14, 33962, 3, p. 23).
₁₁ Rond Schiphol moeten gemeenten vanwege geluidsoverlast, veiligheid van omwonenden en vliegveiligheid in hun omgevingsplan rekening houden met het bepaalde in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (Stb. 2023, 113)
₁₂ Het Rijk moet in ieder geval instructieregels stellen voor de waarborging van de veiligheid en bescherming van gezondheid en milieu betreffende externe veiligheidsrisico’s van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, in ieder geval ter uitvoering van de Sevesco-richtlijn, zo volgt uit art. 28 aanhef en sub c Ow.
₁₃ Anders dan waar ontwerp Gmb 2025, 511048, 511058, 511112, 511115 (plan Molenzicht) met 1700 woningen erbij op een ontoereikend ontsloten eiland in voorziet.
₁₄ Stb. 2018, 292, p. 664.
₁₅ Kamerstukken II 2013/14, 33962, 3, p. 63.
₁₆ Kamerstukken II 2013/14, 33962, 3, p. 312. Het gaat om archeologische monumenten, gebouwde en aangelegde monumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen.
₁₇ O.a. ‘Wandalisme I’, De Spectator. Kritiesch en historisch kunstblad VII, N.S.Dl. I (1847) 32; ‘Wandalisme XIV’, De Spectator VIII, N.S.DI II (1848) 489, V. de Stuers, ‘Holland op zijn smalst’ in: De Gids, 1873 waarin afkeuring werd geuit over de wijze waarop Nederland met erfgoed omging. Aan de overheid werd desinteresse, wansmaak, wanbeheer en ‘wandalisme’ verweten. Het artikel werd nog tijdens het leven van De Stuers een legende (J. Perry, Ons fatsoen als natie. Victor de Stuers 1843-1916, Amsterdam, Uitgeverij SUN 2004, p. 103, 114 e.v.).
₁₈ Kamerstukken II 2014/15 34109, 3, p. 3.
₁₉ Kamerstukken II 2014/15 34109, 3, p. 3.
₂₀ Stb. 2018, 292, p. 379.
₂₁ Stb. 2018, 291, p. 199.
₂₂ Zie in verband met algemene zorgplicht van artt. 1.6 jo. 1.7 Ow, Kamerstukken II 2013/14, 33962, 3, p. 61.
₂₃ Staatsblad 2018, 292, p. 379.
₂₄ Hof Den Haag, 9 oktober 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2591; HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2006)
₂₅ EHRM 21 februari 1990, ECLI:CE:ECHR:1990:0221JUD0009311081; EHRM 9 december 1994, M en R 1995/82.
₂₈ Kamerstukken II 1975/76, 13873, 3, p. 14.
₂₉ Kamerstukken II 1975/76, 13873, 3, p. 7.
₃₀ Kamerstukken II 1975/76, 13873, 3, p. 14.
₃₁ Wet van 22 juni 1901, Wettelijke bepalingen betreffende de volkshuisvesting (Woningwet), Staatsblad no. 158) had ten doel om bouw en bewoning van slechte en ongezonde woningen onmogelijk te maken en de bouw van goede woningen te bevorderen.
₃₂ Kamerstukken II 2013/14, 33962, 3, p. 312.
₃₃ Zie uitleg Stb 2017, 402 en Luchthavenindelingbesluit Schiphol (Stb. 2023, 113).
₃₄ Kamerstukken II 1976/77, 13873, 7, p. 23.
₃₅ Stb. 2018, 291, p. 173
₃₆ Zie uitleg Stb 2017, 402 en Luchthavenindelingbesluit Schiphol (Stb. 2023, 113).
₃₇ Kamerstukken II 2015/16, 34 517, 3.
₃₈ European Union Agency for Fundamental Rights FRA (2015), Freedom to conduct a business: exploring the dimensions of a fundamental right, p. 47-50 < https://fra.europa.eu/sites/default/files/fra_uploads/fra-2015-freedom-conduct-business_en.pdf >. Zie over effectief rechtsmiddel voor ondernemingen ook VN-rapport A/72/162: Report on access to effective remedy for business-related human rights abuses d.d. 19 juli 2027 < https://www.ohchr.org/en/documents/thematic-reports/a72162-report-access-effective-remedy-business-related-human-rights
Januari 2026
Disclaimer
De artikelen en blogposts van Legalance bieden algemene informatie en zijn niet bedoeld als advies. Er is niet beoogd volledigheid over een bepaald leerstuk na te streven . Ook kande informatie verouderd, onvolledig en/of onjuist zijn door wijzigingen in wet- en regelgeving, nieuwe rechtspraak of andere ontwikkelingen. Aan de hier aangeboden informatie kunnen dan ook geen rechten worden ontleend. De auteur daarvan kan niet aansprakelijk worden gehouden voor de gevolgen van het gebruik, op welke wijze dan ook, van deze informatie.
Welkom bij Legalance. Ik ben Anneke, jurist voor ondernemers en particulieren. Ook werk ik als freelance-jurist* of teken ik voor legal design. Hier vind je artikelen en blogposts op het gebied van bestuursrecht, erfgoedrecht (incl. werelderfgoed), horecarecht, ICT-recht, intellectueel eigendomsrecht, kunstrecht, mededingingsrecht, mensenrechten, omgevingsrecht, privaatrecht, privacy en verwerking persoonsgegevens (AVG), (goederen) vervoersrecht en veterinair recht (multidisciplinair).
Ben je niet op zoek naar een advocaat, maar wel naar de juridische oplossing, vraagbaak of ondersteuning die bij jou, je bedrijf of organisatie past? Laten we eens kennismaken.
*Jurist of paralegal vanuit Spijkenisse, vanaf Voorne-Putten (bij Rotterdam).




