Artikel over zorgplichten van dierenarts met afbeelding koe
De koe bij de horens gevat.
De zorgplichten van de dierenarts en handvatten voor de toets
Oktober 2019
1.    Inleiding
De behandeling door een arts in de humane geneeskunde wordt uitgevoerd op basis van art.  7:446  lid  1  e.v. van het Burgerlijk Wetboek (BW). Met de wettelijke regeling voor de behandelovereenkomst werd beoogd de rechtspositie van de patiënt te versterken en de tussenkomst van de rechter ter concretisering daarvan te verminderen1. Daarmee is er een zorgplicht opgenomen in art. 7:453 BW: "De hulpverlener moet bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en handelt daarbij in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard." Aan de professionele standaard wordt gestalte gegeven door richtlijnen, protocollen en gedragscodes. Uit het oogpunt van zorgvuldigheid kan de hulpverlener daar ook van afwijken. Die keuze moet weloverwogen, voldoende gemotiveerd en in het gezondheidsbelang van de patiënt zijn[2].
     Waar in de humane geneeskunde een spoor via het BW loopt, zijn er voor de dierenarts twee sporen te onderscheiden. De eerste is de contractuele relatie in het BW geregeld is. De andere is het spoor van de diergeneeskunde via de Wet Dieren. In beide sporen heeft de dierenarts een zorgplicht. Hoe verhouden die zich tot elkaar en â€" als een voorval verkeerd afloopt â€" hoe wordt de zorgvuldigheid dan getoetst, of hoe zou die getoetst moeten worden?
     Eerst licht ik de contractuele relatie tussen dierenarts(enpraktijk) en diereigenaar/-houder toe. Daarna komen enkele  methodologische handvatten aan bod voor de zoektocht naar de waarheid. Ik bekijk hoe de rechter in het kader van de contractuele relatie toetst. Vervolgens wordt de zorgplicht uit de Wet Dieren en de rol van het Veterinair Tuchtcollege beschreven. Ik kijk ook naar de handvatten die dit college hanteert en sluit af met een conclusie.

2.    De zorgplicht in de contractuele relatie

2.1 De wettelijke bepaling
In het Burgerlijk Wetboek is geen wettelijke regeling opgenomen voor de diergeneeskundige behandelovereenkomst. Voor de behandeling door een dierenarts zijn de regels van de overeenkomst van opdracht (art. 7:400 e.v. BW) van toepassing, met de individuele dierenarts of de dierenartsenpraktijk waar hij werkzaam is als contractspartij. Hieruit vloeien inspanningsverbintenissen voort.
     De dierenarts(enpraktijk) heeft als opdrachtnemer een aantal plichten. Eén daarvan is de plicht de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen (art. 7:401 BW). Deze plicht ligt in het verlengde van de algemene verplichting uit art. 6:2 BW die bepaalt dat contractspartijen zich redelijk en billijk naar elkaar moeten gedragen[3]. Wat deze zorgplicht inhoudt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, onder meer4 afhankelijk van de aard van de opdracht. Bij professionele beroepen wordt bezien of de opdrachtnemer heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot5 â€" de maatman â€" te werk zou zijn gegaan6. Het criterium is niet gericht op het te behandelen dier, maar diens belangen zouden uit de strekking van de opdracht kunnen worden afgeleid.
     Een andere plicht die de dierenarts(enpraktijk) heeft, is die tot het opvolgen van tijdig verleende en verantwoorde aanwijzingen van de opdrachtgever (art. 7:402 BW). De dierenarts kan de wijze van uitvoering van de opdracht beter inschatten dan de diereigenaar/-houder. Als goed opdrachtnemer (7:401 BW) behoort hij de opdrachtgever te wijzen op onverantwoorde of onjuiste aanwijzingen. Ook de aard en de inhoud van de overeenkomst kunnen ertoe leiden dat nadere aanwijzingen niet hoeft te worden gevolgd[7]. Hier komt ook de 'professionele autonomie' om de hoek kijken. Vanuit dat oogpunt heeft de opdrachtnemer bij het uitvoeren van de overeenkomst ook een eigen beroepsgerelateerde verantwoordelijkheid8. Daarmee kan een aanwijzing bijvoorbeeld wegens strijd zijn met een geldende gedragsregel worden geweigerd[9]. Al sinds 1940 is er de Code voor de Dierenarts van de KNMvD, die de belangen van zowel het dier, de cliënt als de samenleving centraal stelt[10]. De verhouding van goed opdrachtnemerschap en de professionele autonomie zijn te herkennen in art. 3.1 van de Code.
     Art. 7:402 BW biedt de dierenarts(enpraktijk) de mogelijkheid de overeenkomst te beëindigen als de aanwijzingen op redelijke grond niet kunnen worden gevolgd. Goed opdrachtgeverschap brengt wel met zich mee dat er wordt gekeken naar voor de cliënt aanvaardbare alternatieven. De redelijk bekwaam en redelijk handelend dierenarts kan in elk geval terugvallen op de Code voor de Dierenarts.

2.2 De rechterlijke toetsing
Zowel bij contractuele aansprakelijkheid (art. 6:74 BW) als bij wettelijke aansprakelijkheid (art. 6:162 BW) moet de onrechtmatigheid van de gedraging worden vastgesteld en speelt de vraag of daardoor schade is ontstaan. Zo wordt ook de vraag of een beroepsbeoefenaar als redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk is gegaan, soms aan de civiele rechter voorgelegd. De zorgplicht gaat over iemands verantwoordelijkheid. Dit brengt het gevaar met zich mee dat hij wordt beoordeeld op de mate waarin hij een ongewenst lot heeft geprobeerd af te wenden. Maar zorgplicht gaat over gewenst gedrag in een bepaalde situatie, niet over pogingen[11]. "Het concreet beoordelen of iemand aan zijn zorgplicht voldaan heeft, is lastig en kan niet zonder meer afgeleid worden uit het ongewenste resultaat," zo zegt Giard[12]. Achteraf kijk je vaak een koe in de kont, maar van belang is te onderzoeken hoe het voorval ècht is verlopen.
     Om diezelfde koe dan maar bij de horens te vatten, maakt hij voor het beoordelingsproces onderscheid tussen de rechtsvraag, gericht op rechtsvinding en de onderzoeksvraag, gericht op waarheidsvinding. Deze twee hebben elk een eigen methodologie. Het instrumentarium voor rechtsvinding bestaat uit rederneerwijzen, diverse interpretatiemethoden, rechtsbeginselen, rechtsvergelijking, rechtspraak en literatuur. Daarmee kan bijvoorbeeld een leerstuk nader worden vormgeven of maatwerk worden bereikt in de verhouding tussen mensen.
     Op eenzelfde voorval kunnen verschillende manieren van feitenonderzoek worden toegepast, die tot een ander resultaat en ander oordeel leiden. Giard richt zich op de waarheidsvinding bij het feitenonderzoek en legt uit dat het gaat om de juiste onderzoeksvraag â€" een open vraag, zoals 'Waarom leidde de handeling tot dit resultaat?' â€" en geschikte subvragen[13].
     In een gerechtelijke procedure speelt het bewijs een belangrijke rol. De civiele rechter is lijdelijk en de hoofdregel is dat hij beslist op basis van feiten en rechten die de partijen naar voren hebben gebracht of hebben gesteld en die volgens de regels van het bewijsrecht zijn vastgesteld (art. 149 Rv). De stellende partij moet zijn goed bewijzen om zich op het rechtsgevolg te kunnen beroepen (art. 150 Rv). Hoewel de waarheid een rol speelt (21 Rv), is subjectiviteit niet uitgesloten. Het is aan de rechter het bewijs te waarderen naar de opstellingen van partijen en eventuele waarnemings- en denkfouten14. Ook dient hij te kijken welke informatie bekend is en welke informatie nog niet bekend is, maar dat wel zou moeten zijn[15].
     In de beroepspraktijk kan het bij juist handelen, fout gaan èn bij een verkeerd handelen, goed aflopen16. Het conditio sine qua non-verband wordt al snel gelegd als het gaat om het causale verband tussen een schending van een zorgplicht en het ongewenste gevolg. Maar uit empirisch onderzoek blijkt dat de (impliciete) veronderstelling dat handelen naar een zorgvuldigheids- of veiligheidsnorm een slechte afloop kan voorkomen, onjuist is[17].
     Giard benadrukt het belang van causaal-wetenschappelijk onderzoek, omdat de oorzaak van schade kan worden opgehelderd vanuit de causale verklaring voor de gebeurtenis en het begrip daarvan[18]. De zaak moet in de bredere context â€" naar feiten èn omstandigheden - worden onderzocht[19]. Binnen die context spelen onder andere de omgevingsstructuur, de organisatiestructuur en - cultuur, de mogelijkheden en beperkingen van kennis en apparatuur, de communicatiekanalen[20], patiëntkenmerken en ziekteproces een rol. Stap voor stap moet het werkproces en de omstandigheden waaronder dit plaatsvond, worden ontrafeld21 en alle scenario's of hypothesen moeten worden geïnventariseerd. Onzorgvuldigheid is er daar één van. En men moet associatie onderscheiden van causatie, zoals ook de zaak Lucia de B.22 illustreerde.
     Voor een objectieve waarheidsvinding moet kennis over de afloop minimaal zijn[23], moet het voorval goed gereconstrueerd worden en verdient ontbrekende kennis de aandacht. Waar gebruik wordt gemaakt van heuristieken (vuistregels), moet dat correct zijn[24]. Ook moet worden voorkomen dat de retoriek het juridisch redeneren beïnvloedt.
     De beantwoordingsprocessen van de rechtsvraag en de onderzoeksvraag moeten in de motivering van de uitspraak teruggevonden kunnen worden[25].

De rechtspraak laat de vormgeving van de maatman-dierenarts over aan de veterinaire beroepsgroep. Om de open norm van de redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te kunnen hanteren, dient vanuit de beroepsgroep op basis van empirisch onderzoek een concrete omschrijving te worden geformuleerd (professionele standaard) hoe een dierenarts een diagnose X in de specifieke diagnostische situatie zorgvuldig dient te beoordelen. Met zo'n omschrijving kan de norm worden nageleefd[26] en kan de rechter â€" na reconstructie van de situatie â€" beoordelen of de dierenarts volgens de norm heeft gewerkt[27].
     In de praktijk wordt ook wel gebruik gemaakt van een deskundigenonderzoek. Voor de objectiviteit moet een herbeoordeling door een deskundige 'blind'(zonder bekendheid met informatie over zaak die aan de rechter is voorgelegd) worden uitgevoerd en moet een onderzoek met een open onderzoeksvraag beginnen. Vervolgens moet het op de juiste wijze worden uitgevoerd[28]. De  bevindingen moeten op de juiste wijze worden gerapporteerd worden. Tot slot moet het resultaat door de (niet veterinair geschoolde) rechter op de juiste wijze worden geïnterpreteerd en gebruikt. Zoals ook uit het voorgaande over causaliteit volgt, moet ervoor worden gewaakt dat de uitkomst van het deskundigenonderzoek maatgevend (juist) wordt geacht en onzorgvuldig handelen als oorzaak wordt aangenomen bij 'anders' veterinair handelen[29]. Onzorgvuldigheid is immers niet altijd de oorzaak van het verschil. Het empirische onderzoek verschaft dan duidelijkheid[30]. De beroepsgroep kan gebaat zijn bij een juiste verdediging op basis van empirische gegevens uit de eigen wetenschappelijke literatuur[31].

2.3 Jurisprudentie
Het redelijk bekwaam en redelijk handelen van een dierenarts werd in twee zaken voor het Gerechtshof 's-Hertogenbosch beoordeeld.
     In de eerste zaak uit 2015 had een dierenarts een paard röntgenologisch onderzocht en het gebruik van het dier in de sport niet bezwaarlijk geoordeeld. Bij een latere aankoopkeuring door een andere dierenarts werd negatief geadviseerd wegens een verhoogd risico op grond van (uitsluitend) röntgenologische afwijkingen. De eigenaar stelde de praktijk die het eerste röntgenonderzoek had uitgevoerd aansprakelijk voor de trainingskosten die hij daarna had gemaakt. Het Hof stelde eerst de inhoud van de opdracht aan die dierenartsenpraktijk vast en nam als uitgangspunt dat die röntgenologisch onderzoek betrof met de vraagstelling of in röntgenologisch opzicht belemmeringen zouden bestaan voor gebruik van het paard in de (lagere) sport[32]. De invulling van de norm hoe een redelijk bekwaam en redelijk handelend dierenarts zou werken, werd ook in deze zaak aan de beroepsgroep overgelaten. De bevindingen en rapportage van verschillende dierenartsen ten aanzien van de classificatie van een straalbeen, een  onrustig bed in straalbeen, fragmenten en osteochondrose waren niet eenduidig. Een van hen achtte de osteochrondose voor sport geen bezwaar. Het Hof kon (uit het bewijs) dan ook niet concluderen dat de betreffende dierenartsenpraktijk anders had gehandeld dan een redelijk bekwaam en redelijk handelend dierenarts zou kunnen hebben doen.
     In een zaak van begin dit jaar (2019) ging het om het moment van operatief ingrijpen bij een paard met koliek[33]. Na een conservatieve behandeling werd het paard geopereerd. Tijdens de operatie scheurde de darmwand en werd het dier geëuthanaseerd. De eigenaar stelde dat er eerder geopereerd had moeten worden. Het was het Hof gebleken dat er binnen de beroepsgroep van dierenartsen geen professionele standaard bestond voor de behandeling van een paard met koliek[34]. Er was wel een deskundigenrapport gemaakt. Daaruit leidde het Hof af dat er een reële mogelijkheid bestond dat de darmwand pas in de nacht voorafgaande aan de geplande operatie zodanig werd verzwakt dat de darm scheurde bij manipulatie. Daarom kon niet met voldoende zekerheid worden geconcludeerd dat de ochtend waarop geopereerd werd, te laat was. Ook werd geoordeeld dat de prognose bij right dorsal displacement ('RDD', verplaatsing van de dikke darm) lastig is te geven, dat zo lang mogelijk als verantwoord behoort te worden gewacht met opereren en dat een beoordeling achteraf verschillende visies kan opleveren[35]. Ook zou een eerdere  advisering of consultatie van de eigenaar van het paard over conservatieve behandeling of chirurgisch ingrijpen, niet tot een andere behandeling hebben geleid[36]. Het Hof benadrukte dat de paardeneigenaar op grond van de hoofdregel van de artikelen 149 en 150 Rv feiten en omstandigheden had dienen te stellen en â€" bij voldoende betwisting daarvan â€" had dienen te bewijzen waaruit volgt dat de dierenarts norm te handelen als redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot heeft geschonden. Slechts op basis van het rapport was die conclusie niet te trekken[37].
     De oorzaak van de discrepanties en een toerekenbare onzorgvuldigheid bij de betreffende dierenarts waren in deze zaken niet of onvoldoende gebleken.

3.    De zorgplicht voor diergeneeskundig handelen en diergezondheidszorg

3.1 Onder de WUD
De verantwoording van de dierenarts beperkt zich niet tot de patiënt die hij onder behandeling heeft. Ook belangen van de eigenaar en algemene belangen â€" zoals de volksgezondheid en resistentieproblemen bij antibioticia â€" spelen mee.
     Al onder de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 (WUD) werd door de beroepsgroep zelf bepaald wat zorgvuldige en goede uitoefening van de diergeneeskunde is[38]. De WUD bevatte de zorgplicht te handelen zoals dat van een beroepsbeoefenaar mag worden verwacht in zijn hoedanigheid39 van dierenarts (art. 14 WUD), paraveterinair[40], dierverloskundige of castreur (art. 15 WUD). De plicht zag op het individuele dier waarvoor de hulp is ingeroepen, diergezondheid in het algemeen en het noodlijdende dier. In de tijd van de WUD was al duidelijk dat de criteria voor goede en zorgvuldige uitoefening van de diergeneeskunde, moeilijk te definiëren waren. Om gedragingen van diergeneeskundigen met de daarbij komende aspecten goed aan de wettelijke zorgplichten te toetsen, is toen het wettelijk tuchtrecht geïntroduceerd. Het tuchtrecht gaat uit van de beoordeling van gedragingen aan de hand van alle relevante omstandigheden van het individuele geval en van de stand van de diergeneeskundige wetenschap en techniek41. Via het tuchtrecht wordt het handelen getoetst, de gewenste gedragslijn uitgestippeld en kan â€" bij gegrondverklaring van een klacht â€" een maatregel worden opgelegd. De diereigenaar/-houder kan via het veterinair tuchtrecht geen schadevergoeding vorderen.

3.2 Onder de Wet dieren
Onder de huidige Wet Dieren is de zorgplicht opgenomen in art. 4.2 en als volgt geformuleerd:
"1. Personen, die zijn toegelaten tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen, schieten niet door enig handelen of nalaten tekort in de zorg die zij in hun hoedanigheid:
a. behoren te betrachten ten opzichte van een dier met betrekking tot welke hun hulp is ingeroepen, en
b. verlenen of in geval van nood behoren te verlenen ten opzichte van een dier.
2. Personen die zijn toegelaten tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen, schieten niet zodanig tekort in hetgeen van hen in hun hoedanigheid mag worden verwacht dat daardoor ernstige schade kan ontstaan voor de gezondheidszorg voor dieren.
3. Het in het eerste en tweede lid bepaalde is tevens van toepassing ten aanzien van andere dan gehouden dieren."

De norm wordt ook wel aangeduid als 'Good Veterinary Practice'. Terwijl het Veterinair Tuchtcollege en het Veterinair Beroepscollege deze norm aan de hand van concrete  gedragingen nader invullen[42], wordt de professionele standaard ook verder vormgegeven in richtlijnen[43]. Die laatste geven de mogelijkheid op basis van empirisch onderzoek concrete normen (hoe diagnose X in een specifieke diagnostische situatie zorgvuldig te beoordelen) te formuleren die nageleefd kunnen worden. De professionele standaard is inmiddels terug te vinden in Good Veterinary Practice, de Code voor de Dierenarts, Richtlijnen Veterinair Handelen en Formularia. Indien nodig kan de dierenarts hiervan (schriftelijk gemotiveerd) afwijken.
     In het eerste lid wordt gesproken over 'Personen (…) in hun hoedanigheid'. De wetgever heeft voor dierenartsen, dierverloskundigen, castreurs of paraveterinairen een geheel eigen verantwoordelijkheid voor dieren als zodanig en de gezondheidszorg voor dieren in het algemeen erkend. Het veterinair tuchtrecht spreekt zich uit over die specifieke verantwoording, maar ook over het onbevoegd verrichten van diergeneeskundige handelingen44, waarbij personen alleen voor zijn of haar eigen diergeneeskundig handelen verantwoordelijk kan worden gehouden[45], dus niet voor dat van collega's. Het uitgangspunt is dat alle gedragingen die afbreuk kunnen doen aan het algemeen belang van diergezondheidszorg aan toetsing zullen worden onderworpen (klachten over bijvoorbeeld de hoogte van de rekening blijven dus in beginsel buiten behandeling[46]). Om een beoordeling te baseren op zowel gedegen kennis van de beginselen van de wet als op voldoende deskundigheid en ervaring uit de beroepspraktijk, is het Veterinair Tuchtcollege samengesteld uit zowel juristen als veterinaire beroepsgenoten[47].

3.3 Bij het Veterinair Tuchtcollege
Bij de vraag of een dierenarts in zijn zorgplicht tekort is geschoten ten opzichte van een dier tot welk hulp is ingeroepen, neemt het Veterinair Tuchtcollege als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het veterinair handelen van een dierenarts beter had gekund, maar of in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden48. Een verantwoorde diergeneeskundige behandeling omvat in beginsel onderzoek, diagnose, nazorg en verslaglegging[49].
     Het onderscheid tussen de rechtsvraag en de onderzoeksvraag is ook bij het veterinair tuchtrecht van belang. De rechtsvraag is dan of de dierenarts ex art. 2.1 Wet Dieren naar zijn hoedanigheid en onder de betreffende omstandigheden voldoende zorgvuldig handelde. Vanuit de onderzoeksvraag moet worden gekeken waarom het voorval afliep zoals het afliep. Alle scenario's â€" waaronder de (toerekenbare) onzorgvuldigheid â€" verdienen de aandacht. De stand van de diergeneeskundige wetenschap en techniek worden meegewogen[50].
     Zonder conclusies te trekken over de gehele werkwijze van het college, kunnen in gepubliceerde uitspraken wel bepaalde handvatten die Giarda geeft, worden herkend. Zo werden situaties gereconstrueerd[51], was er aandacht voor de bredere context[52] en daar waar het aan kennis ontbrak, werd er met dat ontbreken rekening gehouden[53]. Net als in de rechtspraak over contractuele aansprakelijkheid zal de onzorgvuldigheid als oorzaak van een ongewenste afloop immers voldoende (uit nader onderzoek) moeten blijken.

4.    Conclusie
De dierenarts heeft een zorgplicht zowel vanuit de contractuele relatie met de client (diereigenaar) als vanuit zijn diergeneeskundige positie. In dit artikel werd de verhouding tussen die twee zorgplichten toegelicht.
     De contractuele relatie tussen dierenarts(enpraktijk) en diereigenaar wordt onder meer gestuurd door het maatman-concept van 'de redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot' voor professionele beroepen en professionele autonomie van de dierenarts. Daarmee draagt hij een beroepsgerelateerde verantwoordelijkheid en krijgen de uitgangspunten van de beroepsgroep een plaats bij de uitvoering van de overeenkomst.
     De toetsing in het kader van de zorgplicht is lastig en kan niet beperkt blijven tot vaststelling van het ongewenste resultaat. Voor de zoektocht naar de waarheid achter een voorval geeft Giard methodologische handvatten. Onder meer zijn besproken het onderscheid tussen de rechtsvraag en onderzoeksvraag, het belang van de bredere context, causaal-wetenschappelijk onderzoek en de blindheid van herbeoordeling. In de rechtspraak wordt de invulling van de zorgvuldigheidsnorm aan de beroepsgroep zelf overgelaten. In zaken over contractuele aansprakelijkheid waren de oorzaak van discrepanties bij herbeoordeling en onzorgvuldigheid bij de betreffende dierenarts niet of onvoldoende gebleken.
     De achtergrond van de zorgplicht opgenomen in de Wet Dieren is besproken, alsmede de rol van het Veterinair Tuchtcollege. Voor dit college is niet van belang of het handelen van een dierenarts beter had gekund, maar â€" in overeenstemming met het maatman-concept in de contractuele relatie â€" of in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden. De basis voor een verantwoorde diergeneeskundige behandeling ligt in onderzoek, diagnose, nazorg en verslaglegging. In de uitspraken van het Veterinair Tuchtcollege zijn wel handvatten van Giard te herkennen. De mate van zorgvuldigheid moet zowel in de rechtspraak als in het tuchtrecht voldoende kunnen worden vastgesteld.

AHV

Dit artikel is auteursrechterlijk beschermd en kan worden geraadpleegd op
w w w . l e g a l a n c e . nl

[1] Kamerstukken II 1989/90, 21 561, 3, p. 1, 24.
[2] HR 2 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0377: hier werd aansprakelijkheid aangenomen vanwege het ongemotiveerd niet naleven van het protocol.; P.P.M. van Reijsen, Medisch-professionele autonomie en gezondheidsrecht, Lelystad: Koninklijke Vermande 1998, p. 237-238.
[3] I. Timmer, Bijzondere overeenkomsten begrepen, Den Haag: Boom Juridisch 2017, p. 145.
[4] Andere omstandigheden die meewegen bij de mate van zorg die verwacht mag worden zijn het tarief dat gehanteerd wordt, de deskundigheid van opdrachtgever èn opdrachtnemer en de vraag of de opdrachtnemer zichzelf heeft aangeboden of door de opdrachtgever benaderd is (I. Timmer, Bijzondere overeenkomsten begrepen, Den Haag: Boom Juridisch 2017, p. 146-147).
[5] HR 9 november 1990, ECLI:NL:PHR:1990:AC1103 (Speeckaert/Gradener).
[6] HR 29 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6159, r.o. 3.3.
[7] HR 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0727 onder verwijzing naar Parl. Gesch. Boek 7 (Inv. 3,5 en 7), p. 324.
[8] A.L. Croes e.a., Pitlo: Het Nederlands Burgerlijk Wetboek, Deel 6, Bijzondere overeenkomsten, Gouda Quant: Arnhem 1995, p. 277; J.M.H.P.  van Neer-Van den Broek, 'De overeenkomst van opdracht' in: Van e.a.(red), Compendium bijzondere overeenkomsten, Deventer: Kluwer 1998, p. 336.
[9] A.L. Croes e.a., Pitlo: Het Nederlands Burgerlijk Wetboek, Deel 6, Bijzondere overeenkomsten, Gouda Quant: Arnhem 1995. p. 227.
[10] Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde, Code voor de Dierenarts, maart 2010, p. 3.
[11] O.J. Herstein, 'Responsibility in Negligence: Why the Duty of Care is Not a Duty to Try' in: Canadian Journal of Law & Jurisprudence 2010 vol. 23(2), p. 403-428.
[12] R.W.M. Giard, Werken aan waarheidsvinding; over het belang van de juiste onderzoeksmethoden in het aansprakelijkheidsrecht, Den Haag: Boom Juridisch 2016, p. 118.
[13] Giard 2016, a.w., p. 55.
[14] L.F.H. Enneking, I. Giesen & R. Rijnhout, 'Bewijswaarderingen psychologische inzichten', in: W.H. van Boom e.a.(red.), Capita Civilologie. Handboek empirie en privaatrecht, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2013, p. 1017-1086; J. Bonnes, P. Vergeer & R. Stoel, Rationele besliskunde in het strafrecht, NJB 2015/6, p. 364-37; C. Deelen, De invloed van het onbewuste van de rechter op het rechterlijk oordeel, NJB, 2015/6, p. 356-363.
[15] Giard 2016, a.w., p. 21.
[16] Giard 2016, a.w., p. 58.
[17] R.W.M. Giard & W. Boom, De empirische dimensie van zorgplicht. Kanttekeningen bij het Skeeler-arrest, NTBR 2006/6, p. 360-369. Het bijbehorende Skeeler-arrest: HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4042.
[18] Giard 2016, a.w., p. 55 e.v.
[19] Giard 2016, a.w., p. 52.
[20] Giard 2016, a.w., p. 52.
[21] Giard 2016, a.w., p. 58.
[22] Gerechtshof Arnhem 14 april 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BM0876.
[23] A.C. Smith & E. Greene, Conduct and its consequences: attempts at debiasing jury judgments, Law and Human Behavior 2005 vol. 29/5, 505-26.
[24] Giard 2016, a.w., p. 81.
[25] Giard 2016, a.w., p. 125.
[26] Voor de humane geneeskunde geformuleerd: "In a world where the standard of care is known to everyone, and observable (to individuals and courts), it is straightforward to show that negligence liability would produce socially optimal levels of care (i.e. deterrence)." P. Fenn, A.Gray, N. Rickman, R. Young, R., Deterrence and liability for medical negligence: theory and evidence Proceedings, EALE conference 2002, te raadplegen via < http://eale2002.phs.uoa.gr/papers/Fenn,%20Grey,%20Rickman%20&%20Young.pdf > (laatst geraadpleegd 12 oktober 2019).
[27] Vergelijk: Giard 2016, a.w., p. 139.
[28] Een beroepsvereniging zou aandacht dienen te besteden aan de aanpak bij aansprakelijkheidsvraagstukken (R.W.M. Giard, Werken aan waarheidsvinding; over het belang van de juiste onderzoeksmethoden in het aansprakelijkheidsrecht, p. 143).
[29] Vergelijk: Giard 2016, a.w., p. 141.
[30] Giard 2016, a.w., p. 141.
[31] Giard 2016, a.w., p. 141.
[32] Hof 's-Hertogenbosch 15 september 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3580, r.o. 3.8.
[33] Hof 's-Hertogenbosch 22 januari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:200.
[34] Hof 's-Hertogenbosch 22 januari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:200, r.o. 3.11.
[35] Hof 's-Hertogenbosch 22 januari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:200, r.o. 3.14.1.
[36] Hof 's-Hertogenbosch 22 januari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:200, r.o. 3.16.
[37] Hof 's-Hertogenbosch 22 januari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:200, r.o. 3.18.
[38] Kamerstukken II 2007/08, 31 389, 3, p. 3.
[39] Kamerstukken II 2007/08, 31 389, 3, p. 3.
[40] Waaronder worden gerekend: dierenartsassistenten, dierfysiotherapeuten, de embryotransplanteurs en -winners.
[41] Kamerstukken II 2007/08, 31389, 3, p. 77.
[42] Rb. Den Haag 13 januari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:386, r.o. 4.6; Veterinair tuchtcollege 28 maart 2019, ECLI:NL:TDIVTC:2019:12, par. 5.1.
[43] < https://www.knmvd.nl/dossier/kwaliteit/richtlijnen/ >
[44] Kamerstukken II 2007/08, 31389, 3, p. 78.
[45] Veterinair Tuchtcollege 28 juni 2018, ECLI:NL:TDIVTC:2018:21, par. 5.3.
[46] Kamerstukken II 2007/08, 31389, 3, p. 78.
[47] Kamerstukken II 2007/08, 31389, 3, p. 77.
[48] Veterinair Tuchtcollege 28 juni 2018, ECLI:NL:TDIVTC:2018:20, par. 5.1-5.2; Veterinair Tuchtcollege 28 juni 2018, ECLI:NL:TDIVTC:2018:21, par. 5.1-5.2; Veterinair Tuchtcollege 29 november 2018, ECLI::NL:TDIVTC:2018:38, par. 5.1-5.2.
[49] Veterinair Tuchtcollege 9 augustus 2018, ECLI:NL:TDIVTC:2018:23, r.o. 5.4.
[50]  Kamerstukken II 2007/08, 31389, 3, p. 77.
[51] Bijvoorbeeld het euthanasieproces bij een hond (Veterinair Tuchtcollege 28 februari 2019, ECLI:NL:TDIVTC:2019:6) en de mate van klinisch onderzoek bij een hond met epilepsie (Veterinair Tuchtcollege 28 maart 2019, ECLI:NL:TDIVTCL2019:11).
[52] Bijvoorbeeld dierkenmerken (Veterinair Tuchtcollege 28 juni 2019, ECLI:NL:TDIVTC:2018:20).
[53] Veterinair Tuchtcollege 28 februari 2019, ECLI:NL:TDIVTC:2019:4, par. 5.8.


Disclaimer
De artikelen en blogposts van Legalance bieden algemene informatie en zijn nietbedoeld als advies. Er is niet beoogd volledigheid over een bepaald leerstuk nate streven. Ook kan de informatie verouderd, onvolledig en/of onjuist zijn doorwijzigingen in wet- en regelgeving, nieuwe rechtspraak of andere ontwikkelingen.Aan de hier aangeboden informatie kunnen dan ook geen rechten worden ontleend.De auteur daarvan kan niet aansprakelijk worden gehouden voor de gevolgen vanhet gebruik, op welke wijze dan ook, van deze informatie. De tekst-editor veroorzaakttaal- en opmaakfouten in de weergave.